Herinneringen aan de Fly-over en het Zuidpark - Daniël Rombaut
Van "Ontdek de verhalen van de Gentse Raconteurs"
Ga naar het project

Portret: Eric Hulsens
In onze verhalenreeks over de fly-over (B401) en het Zuidpark vertelt Daniël Rombaut (°1948) vol vuur zijn jeugdavonturen in en rond het Zuidpark, met het Chalet du Sud, de fontein en de vele bioscopen.
Een goedlachse man met gebronsde huid komt ons tegemoet op het terras van de Faja Lobi in de Vlaanderenstraat. Bij Daniel Rombaut, geboren en getogen Gentenaar en overduidelijk levensgenieter pur sang, blijkt de liefde voor 'zijn stad' groot; hij begrijpt ‘dat die West-Vlamingen massaal naar Gent trekken’. De Zuid is zijn habitat: hij bracht er het grootste deel van zijn leven door. Voor we goed en wel neerzitten, wellen er al spontaan herinneringen op, om te beginnen die uit zijn kindertijd.
Daniel is een man van verhalen en geschiedenis. De kans op een toevallige babbel met een passant laat hij niet aan zich voorbijgaan. Hij informeert zijn stadsgenoten graag over de rijke geschiedenis van Gent, die velen vreemd is. Zo vertelde hij laatst een voorbijganger over het feit dat de pilaren van het koopcentrum aan de Zuid restanten zijn van het voormalig Coliseum. Dit Coliseum diende als arena voor onder meer boks- en catchwedstrijden. Verbazing alom, en daar geniet hij van. Het doet hem goed de verwonderde passant iets bij te leren. Zelf leert ook hij nog iedere dag bij door met mensen te babbelen.
Chalet du Sud
Daniel: Mijn grootouders hadden een confectiebedrijf aan de Gustaaf Callierlaan. Toen dat bedrijf de deuren sloot, werd het huis verkocht en zijn we naar de overkant getrokken, op de hoek van de Frère-Orbanlaan en de Sint-Lievensdoorgang. Tot mijn vijf jaar heb ik daar gewoond. Intussen startte mijn moeder een droogkuiswinkel, Toby Stop, in de Vlaanderenstraat. Omdat ik niet te veel in de weg zou lopen bij de verhuis, vloog ik eerst voor drie maand naar het zeepreventorium in Westende. Bij iedere verhuis vloog ik wel ergens naartoe. Mijn moeder heeft daar ongeveer vijf jaar haar droogkuiswinkel gehad waarna we verhuisd zijn naar de Belgradostraat. Dat was de straat van de prostitutie. Dus al bij al heb ik zeer aangename tijden beleefd tijdens mijn tienerjaren...
Aan de Zuid was het enorm gezellig wonen. Van mijn kindertijd herinner ik me vooral de vele wandelingetjes die mijn ouders en grootouders met mij maakten in het park. Het Zuidpark kende een heel andere structuur dan vandaag. Aan dat eerste stuk had je de mooiste dancing van Gent: de Chalet du Sud. Overdag was dat een soort brasserie waar je van alles kon doen. En er was daar een zeer groot terras aan de binnenkant. Schuin tegenover mijn eerste woonst was er een piste waar je kon rolschaatsen. Dat was een groot vlak stuk. Ook had je een terrein voor minigolf en een tweetal tennispleinen. Chalet du Sud is in december 1966 afgebrand. Spijtig, want dat was een van de aangename gebouwen in het park. Dat was een crèmekleurige chalet, met zo’n strooien dak. Dat heeft zeer hevig vuur gevat.
De breedte van het park en de twee lanen ernaast zijn ongeveer dezelfde gebleven. Achterin het park was er een grote zandbak, in de vorm van een klaverblad, met in het midden een ondiepe fontein. Tijdens warme zomerdagen deed dat deugd. Was het te warm, dan gingen we er even gaan in liggen om vervolgens terug in de zandbak te gaan spelen. Dat was een fantastische periode.
Verder had je nog een groot stuk park dat tot aan de binnenring reikte, met veel groen en zitbankjes.
Het Zuidstation, het Coliseum, de cinema’s en spuitende fonteinen
In het winkelcentrum zie je nog die groene stalen art deco-pilaren. Dat zijn de restanten van het Coliseum, de plaats waar vroeger boks- en catchwedstrijden gehouden werden. Ik heb een hele tijd aan de Leopoldskazerne gewoond. Verrassend hoeveel mensen niet weten dat het ooit een kazerne geweest is. Ze denken dan dat het een gevangenis was. Dat is daar gekomen omdat het Citadel afgebroken moest worden voor de Expo in 1912. Het Citadel was een soort kazerne voor soldaten. En ze kregen dan de Leopold kazerne in de plaats. Omwille van dezelfde reden is ook het Zuidstation afgebroken, want dat hadden ze niet meer nodig. Dan hebben ze het Sint-Pietersstation gebouwd, speciaal voor de expo.
In het Zuidpark stond, ter hoogte van het 8 mei-plein, waar nu dat vredesmonument staat, een helix met rozen. Echt schoon. Mijn grootvader heeft nog het Zuidstation gekend. De lengte van het park stemde overeen met de sporen van het station. De in-en uitgang was aan het Graaf van Vlaanderenplein. Dat station hebben ze uiteindelijk in 1930 afgebroken en er terug park van gemaakt. Er stond daar nog een gebouw: de oude post van het Zuid: een zeer donker en oud gebouw. Daar kon je, geloof ik, je postpakketje afgeven om per trein te laten versturen.
De Zuid was een enorm bruisend stuk van Gent, met een drukke uitgaansbuurt: de Kuiperskaai. Daar had je de ene dancing naast de andere en ook nog het Coliseum waar iedere week wel iets te doen was: een boksmatch, een catchwedstrijd,… Ik was daar een beetje kind aan huis en kende er veel van die boksers. Waar zich nu het winkelcentrum bevindt, waren er vroeger aan de voorkant heel wat terrassen. Je had er ook veel cinema’s, zoals de Century, ernaast de Select en aan de zijkant de Capitole. Met al die cinema’s waren wij enorm verwend. Voor amper 20 frank (zo’n halve euro) konden we naar de film. Dus moesten we ieder weekend aan 20 frank zien te geraken. Dat deden wij op allerlei manieren, onder meer door het wegdragen van leeggoed, het ronddragen van taarten voor de bakker uit de Vlaanderenstraat,…
De Capitole was de grootste cinema, waar ze dan ook de beste films vertoonden. In de Century en de Select waren het al mindere vertoningen. Als we niet aan 20 frank geraakten gingen we wel naar de Vooruit. Dat was de goedkoopste bioscoop. Die werd heel slecht onderhouden en het stonk er. Nu is dat al volledig gerestaureerd met die gouden balkons. Die zaal zat stampvol en er werden daar ook politieke en sociale debatten gehouden. Maar naar de film gaan was in die jaren echt essentieel; dat was onze uitstap.
Verder had je ook heel wat hotels, zoals het Parkhotel, dat vroeger nog het gebouw van EBES geweest is, de toenmalige maatschappij voor elektriciteit, water en gas. In de jaren vijftig hebben ze dan een nieuw gebouw opgetrokken voor de EGW, dat later de bibliotheek geworden is. Maar ook dat is intussen verleden tijd door de bouw van De Krook.
In dezelfde periode hebben ze die fontein geplaatst. Ik heb die nog weten maken. Dat was allemaal in voorbereiding van de Expo in ’58. Die fontein was een zeer mooi stuk in het park, want ‘s avonds verlicht met allerlei kleuren. Dat was werkelijk een heel schouwspel, zeker ook voor de mensen die ’s avonds op de terrassen aan de Zuid aan het genieten waren van een drankje. Ik heb nog in die fontein gezwommen na een avondje stappen in de Kuiperskaai. Het was niet diep en het koelde zeer goed af. Wel moest ik dan met een nat onderbroek gaan dansen in Chalet du Sud. Achteraf denk je dan: “Potverdorie, wat haalden we soms toch gevaarlijke toeren uit!”, zoals vanachter op het standbeeld van Albert I op dat paard gaan staan. Die Chalet du Sud was ook fantastisch met een eigen minigolf. Waar vind je dat tegenwoordig nog in de stad?
De koers en de corso florie
Niet lang na de sloop van de Chalet du Sud werd de B401, met op- en afrit gebouwd. Dat was een serieuze ingreep. De grootste verandering die de bouw heeft teweeggebracht, is toch wel het uitzicht van het park, waarbij een aanzienlijk stuk van het park vernietigd is. Volgens mij hadden ze toch andere dingen kunnen doen met die ruimte. Maar ja, in die tijd wilde men Koning Auto zo snel mogelijk in de stad krijgen. Dat was goed voor de economie; per slot van rekening waren alle winkels in de stad. In die tijd bestond er nog geen lintbebouwing van winkels zoals je die vandaag bijvoorbeeld ziet in Lochristi.
Vroeger was er naast het park een tweevaksbaan voor gaan en keren, om tot aan de Sint-Lievenspoort te geraken. Aan de Zuid kwamen ook heel wat wielerkoersen toe, een gebeuren dat we niet wilden missen. Zelf heb ik er een paar keer de Tour de France zien passeren. Daar stonden ook de wagens gereed voor de corso florie, dat was een bloemenstoet in Gent. Die wagens werden een paar dagen nadien terug gebruikt voor andere feestelijkheden in de stad. Zolang dat die bloemen niet verwelkt waren, konden ze die gebruiken, bijvoorbeeld voor de dekenijfeesten op de Zwijnaardsesteenweg of naar aanleiding van het Bevrijdingsfeest.
Ledeberg Plage
De werf voor de werkzaamheden aan de fly-over was erg lang. De oude spoorwegbedding diende als basis voor de constructie van de rijbaan. Ik denk niet dat er in de buurt van de Zuid veel mensen onteigend zijn door de bouw van de fly-over, omdat die baan het oude tracé van de spoorwegen volgde. Evenmin denk ik dat dit het uitzicht van de Frère-Orbanlaan of de Gustaf Callierlaan serieus veranderd heeft. In Ledeberg was dat misschien anders, maar daar kwam ik niet veel.
Vroeger hadden we nog niet de gewoonte om snel eens naar de zee te trekken voor een dagje uit. In Ledeberg, ter hoogte van de Meierij, was er, naast de spoorbedding , een put gemaakt, waar water in gekomen was. Daar gingen mensen in zwemmen en kinderen hadden er de mogelijkheid om te spelen op een mini-plage, gemaakt met wit zand. Een afbakening zorgde ervoor dat de vissers die er zaten, niet gestoord werden. Het kon er druk zijn. We noemden die plas ’t weekend, omdat we daar over het algemeen op zaterdag of zondag naartoe trokken.
Je had daar ook een speeltuin voor kinderen, een basketterrein en een kleine chalet waar je een ijscoupe met koffie of wafels en pannenkoeken kon bestellen. Het rook er wel altijd naar de carboline die gebruikt werd voor het onderhoud van de treinbilzen. Telkens ik daar passeer, word ik die geur nog altijd gewaar. Voor de rest gingen wij niet zo vaak naar Ledeberg, omdat daar, op die plage na, niet zoveel te beleven viel. Tegenwoordig kom ik daar wel meer.
Een rotonde aan de Olifantstraat met zicht op de Maagd van Gent
Wat de toekomst van de fly-over betreft, heb ik toch zo mijn bedenkingen. Alles zal toch eerst zeer goed moeten worden uitgedacht. Als je ziet hoeveel voertuigen daar dagelijks over rijden… Die allemaal afleiden via de binnenring, zie ik niet meteen zitten. Ze kunnen die weliswaar een stuk verbreden, maar het stukje daar beneden om op die ring te komen, is beperkt en zal leiden tot files. Mijn gedacht was om van dat stuk van de Olifantstraat eventueel een soort rotonde te maken, bij voorkeur met behoud van een stukje groen. Een bijkomend voordeel zou zijn dat het standbeeld van de Maagd van Gent, dat nu wat verdoken staat bij het monument van Belgisch Congo, in het stukje park tussen de Gustaaf Callierlaan en de Franklin Rooseveltlaan, dan meer als blikvanger zou kunnen fungeren bij het binnenkomen van Gent.
De laatste burgerhuizen
Vroeger kon je bij manier van spreken al fluitend te voet van de Gustaaf Callierlaan rechtdoor stappen naar de Frère-Orbanlaan. Want naast Chalet du Sud had je een weg die de Sint-Lievensdoorgang verbond met de Ravensteinstraat en zo naar de Tentoonstellingslaan. De Sint-Lievenspoortstraat, die lange tijd een belangrijke winkelstraat was, had in die tijd een gemakkelijke toegang voor mensen uit de Dierentuinwijk. Sinds de jaren zeventig staat de snelweg in de weg. En ik kan me niet voorstellen dat de omwonenden tevreden waren met het nieuwe uitzicht op al die auto’s die daar komen aan- en afvliegen.
Vandaag woon ik aan de Sint-Lievenslaan, in het stukje Sint-Lievenspoort richting Ter Plaeten. Vroeger bestond die rij uit ruime burgerhuizen. Nu is het laatste herenhuis in dat stuk waar wij woonden afgebroken en heeft het plaatsgemaakt voor toch weer een nieuwbouwblok. Ik veronderstel dat elk burgerhuis gedoemd is om plaats te maken voor een flatgebouw.
Een stad in verandering
Gent is in meerdere opzichten veranderd. Om te beginnen is er de groei van de bevolking en van de economie, wat uit te maken valt aan de toename van de winkels in de stad. Wat dat betreft zijn er ook veel meer sfeervolle cafeetjes en terrassen bij gekomen. Wij woonden aan de Zuid, wat een echte uitgangsbuurt was. Maar eenmaal daarbuiten, moest je al iets gaan zoeken aan de Korenmarkt. Ik vind Gent prachtig gewoon. Het is een stad die er op vooruitgaat, zoals het zou moeten zijn. Er zullen ongetwijfeld plekken zijn rond de kuip die een beetje verloederen. En ik vind dat de omgeving van de Zuid een beetje wordt verwaarloosd. Zo heb je bijvoorbeeld de vele taxi’s, die op de trottoirs parkeren en die zo volledig kapot rijden. Maar al bij al vind ik de Zuidbuurt een bruisend stuk Gent, met onder meer het winkelcenter.
De bende van de Zuid en de bende van de Zebrastraat
Waar wij vroeger aan de Gustaaf Callierlaan woonden, bevonden zich geen winkels. Dat waren gewoon herenhuizen die bewoond waren. Wel was er op de hoek een donker volkscafé waar je gekookte eieren kon kopen in een mandje. Daar hadden ze nog een spaarkas en een vogelpiek. Mijn grootvader zat daar altijd en ik mocht mee om een colaatje te drinken. In het Zuidpark moest je opletten voor de bende van de Zebrastraat. Dat waren jongens uit de appartementsblokken aan de oude Cirque. Ook maakten we een knikkerbaan in een berg zand als een Toren van Babel. Met het bendeke van de Zuid speelden we met zeilbootjes in de fontein. In functie van de windrichting, zetten wij krijtstreepjes aan de overkant. Wie het eerst met zijn bootje aankwam, kreeg de volle pot.
Het vrije gebruik van het Zuidpark is fantastisch. Het kent vooral veel bijval bij de Gentse bevolking en de studenten, die daar ook komen picknicken. Ik heb de indruk dat ze toch wel de discipline hebben om hun afval weg te nemen, in vergelijking met bijvoorbeeld de bezoekers aan de Graslei.
Vroeger was het gebruik van het park veel strenger geregeld, met zelfs de aanwezigheid van een parkwachter. Alle grasperken waren afgeboord met paaltjes en een draad. Alleen de medewerkers van de plantsoendienst mochten die betreden voor het onderhoud. Vandaag staan kinderen er vrijuit te voetballen. Ik denk dat die parkwacht zich al meermaals in zijn graf heeft omgedraaid. Die man zat altijd achter mij aan als ik weer eens in die fontein zat. Hij liep dikwijls achter mij aan. Op den duur wist hij wie ik was, want soms stond hij mij op te wachten aan de winkel van mijn moeder.
Wat als?
Mocht de fly-over verdwijnen, dan zou er in het Zuidpark meer speelplek voor kinderen kunnen voorzien worden. De tijd dat de auto tot midden in de stad moet kunnen, is eigenlijk wat voorbij. Mocht dat lawaai, fijn stof en de stank van al die dieselmotoren kunne verdwijnen, zou dit onze gezondheid ten goede komen. Vroeger wisten we van niet beter.
We moeten ook meer mogelijkheden aanbieden. Geef kinderen die zich vervelen en kattenkwaad uithalen, op de hoeken van straten basketbalpleintjes of minivoetbaldoelen. Dat ontbreekt vandaag te veel. Kinderen moeten meer mogelijkheden krijgen om zich bezig te houden met spelen in plaats van met kattenkwaad. Er zijn plekjes genoeg die gebruikt kunnen worden. Op de plaats waar nu De Krook is, speelde ik vroeger. Mijn tante woonde daar. Die ruimte was verkeersluw. Je ziet dat niet meer. Er zijn enorm veel mogelijkheden in een stad, ook qua gebouwen, maar ze worden niet altijd benut. En tijdelijke invulling als N.E.S.T. is positief, maar er zouden veel meer manifestaties moeten plaatsvinden, zoals een permanente ruil- of rommelmarkt. En het ontbreekt ons aan terrasjes. Vroeger had je aan de Zuid allemaal terrassen. Mensen konden tot een stuk in de nacht buiten zitten met zo’n weer. Op de eerste verdieping had je ook terrassen, van waarop je tot ver in het park kon kijken. Zeker na een bokswedstrijd bleven de mensen daar hangen. Dat was fantastisch op het gebied van horeca.
