Ga naar de hoofdinhoud

Je cookievoorkeuren - Stad Gent

Cookies accepteren helpt ons dit platform te verbeteren. Lees ons cookiebeleid.

Stad Gent Home
  • Home
  • Over
  • Veelgestelde vragen

David S.

Lid sinds 18 augustus 2020

Alle bijdrage die door deze deelnemer zijn ingediend

Er zijn 24 projecten beschikbaar.
Populair ideeën zijn geladen.

De zomer van de Neptune - William Veireman (°1933) en Rik Wijns (°1945)

David S.•5 jaar geleden William Veireman: “Spel zonder Grenzen in de Neptune, dat was een memorabele dag voor Wondelgem. De Neptune vormde hiervoor het gedroomde decor. Dat evenement heeft heel veel energie gekost, maar achteraf gezien, was het dat meer dan waard.” William Veireman is na een rijk gevuld leven in Wondelgem een opmerkelijk zwijgzaam figuur geworden. De immer bezige bij is in rust. Levensgezel Rik Wijns daarentegen vertelt honderduit over het indrukwekkende parcours dat William gedurende maar liefst 6 decennia doorliep binnen het lokale verenigingsleven in Wondelgem, over de vele blijvende sporen die voorgoed zijn nagelaten. Rik is blij dat hij in veel van die sporen heeft mogen meelopen. En 1 daarvan leidt ons naar de Neptune, waar William ooit een memorabel Spel zonder Grenzen liet plaatsvinden, gericht naar alle Wondelgemse verenigingen. Daar waar zijn hart altijd lag. “Van geboorte ben ik van Eeklo”, vat William ons gesprek aan. “Ik groeide daar op en herinner me nog dat we met een groepje jongeren tijdens de zomermaanden geregeld met de fiets richting de Neptune trokken. Dat werd destijds wel eens schertsend de Greptune genoemd, als spotnaam voor het zogenaamde oord van verderf, omdat het zwemmen er gemengd was. De plaatselijke boerenbevolking kon daar maar moeilijk mee om, wij des te meer.” De Neptune was tijdens Williams tienerjaren een nieuw openluchtzwembad. Dat werkte als een magneet op de jongeren, die er een stevige fietsrit voor over hadden.  Robert Van de SteeneHet legendarische openluchtbad bleef een constante in het leven van William. Als jonge vader ging hij er graag zwemmen met de kinderen en later herhaalde dit tafereel zich met de kleinkinderen.Wondelgem had zijn Neptune te danken aan de rijke industrieel Robert Van de Steene die het zwembad kort na de oorlog liet bouwen. William en Rik hebben hem nog gekend. “Een toch wat speciale mens”, antwoordt Rik ietwat diplomatisch. “Hij was de baas van de Neptune en stak dat niet onder stoelen of banken.” William knikt instemmend. “Die man zat vol grillen en liet zich graag gelden. Hij had zo zijn eigen stijl.” William en Rik hebben nog gelogeerd in zijn villa in Spanje. En beide heren werden al eens uitgenodigd in zijn huis in Wondelgem, waar hij over een indoor zwembad beschikte. Alles voor het lokale verenigingslevenBegin jaren 60 ruilde William Eeklo definitief voor Wondelgem. In die 60 jaar dat hij hier nu woont, heeft hij in een onnavolgbare stijl zijn stempel gedrukt op het lokale verenigingsleven. Een van zijn eerste wapenfeiten was de organisatie van Wondelgem Wandelt, een initiatief van de Wondelgemse Wandelvogels, begin jaren 60, samen met onder meer Jozef Van de Veire en Robert Hemelsoet. Verder zat William ook achter de oprichting van Jeugdhuis Surboum, waar hij in 1970 beheerder van was. “William was erg geliefd bij de jeugd”, verzekert levenspartner Rik ons. “Dat had te maken met zijn progressieve ideeën en zijn capaciteiten als zachte bemiddelaar.”Ook het koor Vrij en Blij, de Jeugd 3-daagse, de schaakclub en de vele handelsbeurzen in Wondelgem zijn er gekomen door toedoen van William. “Dat had te maken met een soort drang die in mij huisde om dingen op te richten, om mensen met elkaar te verbinden”, licht William toe. De keerzijde was wel dat William maar weinig thuis was en van de ene vergadering naar de andere liep. Toch vond hij dit alles meer dan de moeite waard. Spel Zonder GrenzenEen van de fraaie ideeën die aan de geest van William ontsproten, was het evenement Spel Zonder Grenzen, dat hij in 1980 mee organiseerde in de Neptune. William: “Dat was naar aanleiding van het 10-jarig  bestaan van Jeugdhuis Surboum.” Daarmee wilde ik de lokale verenigingen nauwer bij elkaar betrekken. De praktische organisatie lag in handen van veel mensen, wat maakte dat het een erg geslaagde activiteit is geworden. De deelnemende ploegen moesten in het zwembad en op de ligweide allerlei proeven uitvoeren, zoals door autobanden klauteren, en namen het hierbij tegen elkaar op. Presentator van dienst was Walter Lammens. “Een memorabele dag in Wondelgem”, herinnert ook Rik zich nog levendig. “De Neptune was hiervoor het gedroomde decor. Dat evenement heeft heel veel energie gekost, maar achteraf bezien, was het dat meer dan waard.”Handgeschilderde reclamepanelenPubli VW (Reclameborden – Spandoeken Veireman – Wijns) vermeldt het bord dat aan de garagepoort van de woning in de Kalkoenlaan in Wondelgem prijkt. Zelf 75 jaar oud, blijft Rik actief in het bedrijf dat William in de jaren 60 uit de grond stampte. “In 1973 vervoegde ik William, wat maakt dat ik nu ook bijna 50 jaar in de publiciteitssector werk. Onze specialiteit was al die tijd handgeschilderde reclameborden. Je zag die rondom alle sportterreinen en sporthallen in Vlaanderen. Alle panelen werden hier op ambachtelijke wijze geschilderd: de letters, maar evengoed de logo’s en beelden. We hadden hiervoor 2 schilders in dienst. Er zitten daar echt kunstwerkjes bij.” Op oude foto’s van de Neptune, die Rik ons toont, zijn zulke panelen te zien rondom het zwembad. “Verschillende van die panelen zijn ooit hier nog in huis vervaardigd.” Als ik tot slot aan William vraag of de sloop van de kring en van de Neptune hem erg raakt, schudt hij bedaard het hoofd: “Neen, alles komt en gaat. We hebben hier mooie tijden beleefd, maar die liggen nu achter ons. Het is tijd voor nieuwe dingen in Wondelgem. Ik heb er vrede mee.”    Foto: Patrick Henry

De zomer van de Neptune - Fernand Verhulst (°1956)

David S.•5 jaar geleden “In 1985 organiseerde onze ijsberenclub RACSO een wedstrijd voor ijsberen in de Neptune, waar wel 12 clubs aan deelnamen. Er was zelfs een aparte categorie voor kinderen tussen 12 en 16 jaar. Als hun lippen blauw kleurden, haalden wij hen uit het water.”Het waren enkele hardnekkige rugklachten die Fernand Verhelst eind jaren 70 aan het zwemmen zetten. Wat ooit als iets vrij onschuldigs begon, met recreatief zwemmen in de Rozenbroeken bij zwemvereniging RACSO (anagram van OSCAR, de stichter), groeide baantje na baantje uit tot meer. Het was vooral trainer Etienne Pervost die Fernand de liefde voor het zwemmen bijbracht. “Ik heb hem altijd wat gezien als mijn mentor”, geeft Fernand toe. “Hij zette mij aan tot afstandszwemmen. Dat trekken van kilometers in weer en wind beviel me wel.”De Maas in springen en laten afdrijvenVanaf 1981-’82 kreeg het afstandszwemmen bij Fernand ook een competitief kantje. “Ik begon deel te nemen aan de doortochten in allerlei kanalen en open waters, overal verspreid in België, waaronder Blankenberge, Dendermonde en Hoei, waar we de Maas in sprongen en ons lieten afdrijven. Geloof me, niet gemakkelijk, want vaak moesten we ook tegen de stroom in zwemmen. Onze groep telde maar zo’n 10 à 12 leden, wat zorgde voor een familiale sfeer. Er werden tijdens de wedstrijden tafels en stoelen bijgezet en natuurlijk ook de nodige maaltijden en drank.” In de winter bleef het zwemmen beperkt tot eerder korte afstanden, maar van juni tot september trainden we ieder weekend met de Gentse Zwemvereniging (GZV) aan de Watersportbaan. Eerste Gentse ijsberenclubOnder de vleugels van zwemclub RACSO werd in 1984 de allereerste Gentse ijsberenclub boven de doopvont gehouden. Etienne Provost was de mentor en gewezen schepen van Sport Noël Boucquet nam het peterschap waar. De groep telde een 17-tal leden en had een gemengde samenstelling van heren, dames en kinderen vanaf 12 jaar. Niet dat de club lang heeft bestaan. Fernand: “In Gent hebben we destijds 2 wedstrijden georganiseerd. De editie van 1984 in de Blaarmeersen zal ik niet licht vergeten. Ik had speciaal voor die dag een ponton gebouwd in het water, en dat bij vriestemperaturen. En dan de wedstrijd zelf. Je moet je dat voorstellen: terwijl de mensen op de Watersportbaan aan het schaatsen waren, gingen wij even verderop het water in, met enkel onze zwemkledij aan.”Ijsberen gespot in de NeptuneHet jaar erop, in 1985, organiseerden Fernand en zijn kompanen een 2de editie van de bibberduik. Deze keer weken ze uit naar de Neptune. De wedstrijd kon rekenen op ruime belangstelling van pers en publiek. Ook ministers Willy Declercq en Wilfried Martens waren van de partij. In het stadhuis kende iedereen Fernand, als verantwoordelijke stoker van het gebouw ... En dat voor een ijsbeer! Die job maakte wel dat hij een nauwe band had met de leden van het stadsbestuur. “De burgemeester en schepenen waren in die tijd erg aanspreekbaar”, herinnert Fernand zich. “Zo kon ik ons evenement en onze club wat promoten en slaagde ik erin om prijzen en trofeeën in de wacht te slepen.”Aan de wedstrijd in de Neptune namen een 12-tal Belgische clubs deel. Er was zelfs een categorie voor kinderen van 12 tot 16 jaar. “Zij mochten maar een paar minuten in het koude water”, verzekert Fernand ons. “Zodra hun lippen blauw kleurden, plukten we hen op het droge.” Sowieso was er voor het zwemmen een grondige opwarming, door te lopen. En ook tussen twee bibberduiken in, liepen we onze lijven weer warm.”De deelnemers konden kiezen tussen 3 afstanden: 25 meter, 50 meter en 100 meter. “Die laatste categorie was voor de diehards”, verzekert Fernand. Er werd gezwommen op snelheid en de uitslagen verschenen op een scorebord. De zwembond speelde zelfs clubs tegen elkaar uit, waardoor er ook wedstrijdjes ontstonden, zoals om het langst in het koude water blijven. Als je weet dat de watertemperatuur toen tussen 0 en 5 graden lag en sommigen er een volle 5 minuten in bleven … De wedstrijd duurde tot 13 uur en erna volgde een uitgebreide maaltijd”, lacht Fernand. “Ik weet het nog goed: eerst tomatensoep met balletjes, gevolgd door tong in maderasaus, een ijsje en enige ‘geneugten’… Dat was wel nodig na zulke inspanningen.”Kanaalzwemmen met lamsvet en parafineNa een paar jaar zocht en vond Fernand nieuwe uitdagingen in het water. “Ik ben uiteindelijk trainer geworden van RACSO en later van de Royal Swimming Club en dat tot mijn 35ste. Daarnaast lonkte ook het grote afstandszwemmen in open water. Zo heb ik nog de Oosterschelde overgezwommen, van Wemeldinge tot in Zierikzee. Daar moest je ook rekening houden met de getijdenwerking. Om ons te beschermen tegen de koude, smeerden we ons in met lamsvet en parafine. Zulke afstanden zwemmen (soms tot 16 km) vraagt ook heel wat voorbereiding in koud water. Die vonden we in de Neptune, waar we alle dagen ’s ochtends vanaf 9 uur kwamen trainen. Ja, aan dat zwembad bewaar ik toch veel mooie herinneringen. Foto: Patrick Henry

DE FAMILIE BERNADETTE: Wim Marievoet (°1967)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Marievoet, de bezieler van de jeugdclub Evolution.Een zeker eilandgevoel is de Sint-Bernadettewijk nooit vreemd geweest. Een gevoel dat zeker werd versterkt door de poortgebouwen, als ‘bewakers’ die de wijk afschermden van de buitenwereld. Opgroeien in die enclave moet bijzonder zijn geweest. Jongeren kenden elkaar door en door. Een zinvolle jeugdwerking opzetten werd hier de roeping van Wim Marievoet. Zijn Jeugdhuis Evolution met de roemruchte oudejaarsavondfuiven, begin jaren 90 werden een begrip tot ver buiten de Bernadettewijk. Wim groeide op in de Sint-Bernadettestraat, de zogeheten ‘voorstraat’ en dat op 2 verschillende adressen. Zijn ouders wonen er vandaag nog altijd. Zelf ruilde Wim in 2003 Gent in voor Lokeren.De naaisters van de BernadettewijkWims grootouders waren van de kanten van de Lourdeswijk. Zijn ouders, André Marievoet en Yolanda Poelman, leerden elkaar kennen tijdens de filmvertoningen en bals in zaal Nova en huwden later in de basiliek van Oostakker.” Wim: “Mijn moeder was naaister van beroep en bouwde haar passie ook uit tijdens haar vrije tijd. Zo startte ze destijds met drie vrouwen uit de Bernadettewijk een naaiwerkatelier op. Activiteiten bestonden uit haakwedstrijden en het vervaardigen van bedspreien, tafelkleedjes, handdoeken tot en met pluchen beesten.” Ieder jaar, tijdens het 1ste weekend van oktober, organiseren deze Bernadettes een handwerkbeurs in de kring. De opbrengst gaat naar parochiale werken in de wijk. En ook de werking van de naaiclub gaat onverminderd verder, met wekelijkse bijeenkomsten op donderdag.Wims vader, André, was een verdienstelijk biljarter bij BC Metro aan het Sint-Pietersstation. “Echt wel de Raymond Ceulemans van de Bernadettewijk”, lacht Wim. “Ooit werd hij Belgisch kampioen bij de amateurs. Ik zie hem nog thuiskomen met zijn prijzen: een mixer, een klok of een koffiezet.”Rustige kinderjaren, ruige tienerjarenDe eerste vier jaargangen van de lagere school werkte Wim af in de jongensschool aan de Nova. Daarna stapte hij over naar Glorieux, waar broeder Pol een fenomeen was en vervolgens naar de zusterschool, die verbonden was aan de meisjesschool van Lourdes.Als kind beleefde Wim aanvankelijk een onbezorgde jeugd. “Op het voetbalveld speelden we vaak wedstrijdjes met de kinderen uit de blokken en raapten we noten in de toen nog afgesloten tuin van de gravin, wat verderop in de Bernadettestraat. Later, als tiener, werd de sfeer iets ruiger. De tieners lieten hun aanwezigheid vooral opmerken met hun bromfietsen. “De meesten reden rond met ofwel een Peugeot ofwel een Honda (Camino of Amigo)”, herinnert Wim zich nog goed. “Zelf stond ik bekend als ‘Wim Camino’. Ik had het geluk dat mij vader een automecanicien was. Daarnaast had je het opmerkelijke duo Gino (paarse Camino) en Johan (gele Peugeot 104), die constant rondreden in de wijk. In totaal waren we toch met zo’n 20 gasten”, weet Wim. “Ja, we zorgden in die tijd wel voor wat lawaai op straat”, blikt Wim lachend terug. Wie ook een brommertje had, was Nico, de zoon van Fons Verkimpe en Jacqueline, de voormalige uitbaters van café Bierfonteintje. Zij deden echt wel meer dan enkel café houden. Zo was er aan het café een voetbalploeg, een biljartclub en een duivenmaatschappij verbonden. De Bernadettewijk was ook wel gekend om haar stoer karakter. “Ik herinner me de bende van de blokken”, vertelt Wim. “Dat waren geen doetjes. Twee broers hielden toen de wacht aan de poortgebouwen van de wijk. Je kwam hier als buitenstaander niet zomaar binnen.  En al zeker niet als je afkomstig was uit andere Gentse wijken, zoals het Van Beverenplein, de Brugse Poort, het Rabot of Nieuw Gent.” Jeugdhuis EvolutionDe Bernadettewijk had al in de jaren zeventig een jeugdhuis dat actief was in zaal Nova en later verhuisde naar het kasteeltje van de gravin. Wim: “Het ging om een uitloper van de scoutsgroep Bernadette en droeg bijgevolg een katholieke stempel. Toen het jeugdhuis het in 1986 voor bekeken hield, zag ik mijn kans schoon en heb ik de hele platencollectie opgekocht. Ik was in die jaren al een fervent muziekliefhebber.” En van het een kwam het ander. In 1989 stampte Wim een discobar uit de grond en begon hij plaatjes te draaien in café Nova. Toen ze aan het nadenken waren wat ze dat jaar met de jongeren konden doen voor oudejaarsavond, kwam Wim op het idee om de Nova-kring af te huren voor een fondue-avond. “We mikten op een 20-tal eters, met erna een fuifje”, lacht Wim. “Maar het nieuws verspreidde zich als een lopend vuur en na middernacht zat de kring met meer dan 120 feestvierders stampvol. Zelfs pastoor Dries, een zeer progressief figuur in die tijd, was van de partij.”Tijdens een etentje met 20 vrienden borrelde het idee op om regelmatig een fuif te organiseren voor de jeugd in de Nova. “Zo ontstond Jeugdhuis Evolution”, schetst Wim. Er werd een bescheiden bedrag gevraagd als lidgeld, T-shirts met een nieuw logo werden gedrukt en een maandblad met activiteitenkalender zag het licht. “Voortaan zouden we eenmaal per maand, op vrijdagavond een fuif organiseren in de kring”, licht Wim toe. “We richtten ons ook naar de jongeren uit de blokken en hun ouders. Vrijwilligers sloten zich bij ons aan en we zagen onze jeugdwerking groeien. In onze hoogdagen telden we tot meer dan 500 leden. Die opgang werd mee mogelijk gemaakt door de enorme inzet van kompanen, zoals Tommy , Mario (Pinne), Danny (de Vito), Nico, Kim, Baza, toogouders Rita, Gerard, Marina en Chris.” Dat maakte dat de fuiven letterlijk uit hun voegen barstten. De kring werd te klein en er werd uitgekeken naar de ruimere Nova-zaal. Wim: “Op oudejaarsavond telden we tot 1.500 feestvierders, waaronder 360 eters. Geef toe: dat waren geen kleine activiteiten meer.” Na de fuiven de uitstappenHet succes van de fuiven maakte dat de jeugdwerking een financiële reserve kon opbouwen. “Daarmee wilden we iets zinvol doen”, legt Wim uit. “We kwamen op het idee om uitstappen te organiseren, zodat we met de jeugd eens buiten de grenzen van de wijk zouden komen. We zijn bewust klein begonnen en richtten ons tot jongeren van 15-16 jaar. Zelf was ik toen 25 jaar. Met een gehuurde bus trokken we naar Aqualibi en Bobbejaanland.  De bus, die ons toen 9.000 BEF kostte, bood plaats aan 54 personen. Voor 75 BEF kon men mee voor een hele dag plezier, wat best goedkoop was. Bleek dat we ons wel hadden miskeken op de interesse. Al snel dienden we een 2de bus in te leggen die ook vol geraakte. Door de prijs laag te houden, slaagden we er toch in om de jeugd van de Bernadettewijk eens van straat te houden.” Later volgden nog uitstappen, onder meer met de trein naar zee. En ook tijdens de kermisfeesten in de Bernadettewijk, liet Jeugdhuis Evolution zich opmerken, verzekert Wim. “Ja, ik herinner me nog goed hoe we op het voetbalveld een groot plastieken zeil lieten aanrukken dat we volledig insmeerden met bruine zeep voor een wedstrijdje glijden. Ik kan je verzekeren: dolle pret jong!” Het succes van Jeugdhuis Evolution duurde tot eind 1995, begin 1996. Het einde kwam er kort nadat een van de leden zwaar had aangestuurd op de opstart van een eigen voetbalploeg, waarbij het jeugdhuis diende op te draaien voor de zware werkingskosten. Een ultieme poging tot hervorming van de vereniging, met naamswijziging tot Revolution mocht helaas niet baten. Maar waar niet aan kan worden getwijfeld, is dat Wim Marievoet met zijn Evolution voor veel jongeren uit de Bernadettewijk een rol van betekenis heeft gespeeld.  Foto: Bernadette Vandevelde

De zomer van de Neptune - Rudy De Schryver (°1962)

David S.•5 jaar geleden “De Neptune was toch een geval apart: er zijn daar vriendschappen voor het leven gesloten. Na het werk bleef ik er geregeld hangen, want er was altijd wel volk dat ik kende: zij trakteerden mij, ik trakteerde hen. Een wereld van verschil met de laatste jaren.”Als redder deed Rudy De Schryver de voorbije decennia zowat de tour van de Gentse zwembaden. Maar zijn mooiste herinneringen drijven nog altijd rond in het 50 meterbad van de Neptune. In 1981 – ten tijde van de oliecrisis – was er nauwelijks werk, dus stimuleerden de ouders van Rudy De Schryver hun zoon om een postje te zoeken bij de Stad Gent, in die tijd zowat het synoniem voor een vaste betrekking. Na zijn examens mocht hij aan de slag in Sporthal Driebeek. “We werkten er samen met de redders van het naburige zwembad Palm Beach en omdat ik ‘ne sportieve’ was, porden ze me aan om het ook eens als redder te proberen. En van het een kwam het ander. Vandaag werk ik als hoofdredder in de Rooigem, waar ik wellicht zal blijven tot aan mijn pensioen.”De grote schoonmaakNa zijn eerste 10 jaar werd Rudy naar Wondelgem overgeplaatst. ’s Winters werkte hij in de sporthal, ’s zomers in het zwembad. Rudy: “Zodra de wintercompetitie in de sporthal ten einde liep en het weer in april weer beter werd, kreeg het zwembad elk jaar opnieuw een opknapbeurt. Eerst werd het volledig leeggepompt – na de winter was dat daar een vuile boel –, vervolgens gingen wij aan de slag met de hogedrukreiniger en werd de hele oppervlakte opnieuw geschilderd. Daar was werk aan, eerlijk gezegd. Ook alle kleine en grote herstellingen werden door ons uitgevoerd. Maar tof om te doen was het wel, zeker na een hele winter binnen zitten! Voor een buitenmens als ik was dat de ideale combinatie.”De gezelligheid van weleerToen Rudy in het openluchtzwembad begon te werken, liep het seizoen van juli tot augustus. In vroegere jaren was die periode veel langer, nl. van 15 mei tot 15 september. ‘Ik heb me laten vertellen dat er in die tijd zelfs studenten naar de Neptune kwamen blokken. Ze kwamen hier ook wel om afkoeling te zoeken in het koele gras van de ligweide.” Ook later, tijdens de amper 2 maanden hoogseizoen, viel er in de Neptune altijd wel ambiance te rapen. “Iedereen kende iedereen. Sommigen kwamen elke dag langs. Was het niet om baantjes te trekken, dan wel om een aperitiefje te drinken in de cafetaria of op het terras, of om een kaartje te komen leggen met vrienden. Na het werk bleef ik er geregeld hangen, want er was altijd wel volk dat ik kende: zij trakteerden mij, ik trakteerde hen.” Een wereld van verschil met de laatste jaren, die volgens Rudy gekenmerkt werden door een mentaliteit die volledig keerde: “Gaf je vroeger als redder iemand een opmerking, dan kroop die bij wijze van spreken in zijn schulp. De laatste jaren kwamen er gasten in groep op je af als je iets zei wat hen niet zinde. Intimiderend? Nogal. 2 collega’s van mij hebben zelfs slaag gekregen. Die negatieve sfeer hield uiteindelijk ook de vaste klanten weg.”Een droge redder is een goede redderToch houdt Rudy de beste herinneringen over aan zijn tijd in de Neptune. “Het was de ideale werkplek, met een zwembad dat zeer geleidelijk van 80 cm naar 2,20 meter afliep, wat nog altijd een veilige diepte is: even afzetten met je voeten tegen de bodem, en je kwam zo weer boven water.” Echt levensreddende acties heeft Rudy nooit hoeven uit te voeren, al herinnert hij zich een snikhete dag waarop maar liefst 1.800 mensen kwamen opdagen. “Een droge redder is een goede redder, wordt weleens gezegd. Iemand die ingrijpt nog voor de situatie kan escaleren. Neem nu een mama die met haar kindje op de rug aan het zwemmen is. Eén verkeerde beweging, of onverwachts een slok water binnen, en de paniek slaat sneller toe dan je denkt. Niet iedereen kan dat goed inschatten. En al zeker niet met een kind op je rug. Dan was het aan ons om tijdig te waarschuwen, voor het echt gevaarlijk kon worden. Maar toegegeven, na een zeer drukke dag met veel volk, waarbij je je focus geen seconde mocht verliezen, was je ’s avonds wel stikkapot.” De zusjes SuysNiet alleen amateurs, ook professionele zwemmers kwamen in het zwembad langs. “De familie Suys bijvoorbeeld: Mieke Suys schopte het tot Europees kampioen triatlon, zus Veerle haalde een Belgische medaille in het reddend zwemmen. “Met de ouders heb ik nog altijd contact, dat zijn vriendschappen voor het leven. Ze waren goed bevriend met onze baas, waardoor ze ook buiten de openingsuren mochten komen trainen. Dan moest ik geen redder spelen nee, de zusjes Suys konden beter zwemmen dan ik!” (lacht) Wedstrijdjes voor de jongensDe Neptune groeide in de zomermaanden uit tot een ontmoetingsplek, een hotspot waar altijd veel volk op af kwam. “Zelfs bij slecht weer was er altijd wel iemand in het sop te vinden, zo blij waren de mensen dat ze daar in openlucht mochten zwemmen. De vijver van de Blaarmeersen was toen veel minder populair. De Neptune was een plek om heerlijk te plonzen maar ook om mensen te ontmoeten, een biertje te drinken, een babbeltje te slaan, een barbecue te houden, een lief op te doen”… Ook de redders? “Laat ik zeggen dat de knappe redders in de smaak vielen bij de vrouwen, en daar was ik niet bij.” (lacht schalks) “Nee, daar weet ik echt niets vanaf!”Wat Rudy wel populair maakte, waren de speelse wedstrijdjes die hij onder de jonge gasten organiseerde. “Vaak begonnen die jongens zich na een poosje te vervelen en dan deelde ik hen op in 2 groepen. Om het snelst over en weer, om het langst onder water, dat soort dingen. Dat vonden ze geweldig. En nadien waren ze moe en gingen ze uitrusten – dan konden wij als redder weer op ons gemak zitten.” (lacht) Ik word er nog altijd op aangesproken: “Hey Rudy, moatje, weet je nog die wedstrijdjes van toen? Superleuk was dat!”Foto: Patrick HenryTekst: Katrien Bonne

De zomer van de Neptune - Nadia De Waele (°1947)

David S.•5 jaar geleden ”Dankzij de Neptune konden we als jonge tieners met volle teugen genieten van die jeugdige vlinders in de buik. Maar die eerste kus van mijn buurjongen was toch de kers op de taart!”Nadia woonde als kind in de New Orleansstraat, in de 1ste sociale appartementen die in Meulestede waren gebouwd. In de zomer deden zij en haar stiefzus niets liever dan naar de Neptune fietsen. Dat deden ze meermaals per week, zo vaak als het mocht van haar mama. Het was altijd iets om naar uit te kijken. De Neptune bepaalde een groot deel van haar jeugd en werd zowat de vaste stek van Nadia en haar zus. Nadia vertelt graag over die zoete tijd die nog altijd veel emoties en leuke herinneringen oproept. Ze denkt met liefde terug aan de open grasweide, haar oma’s boederij en de vele prille romances die ze heeft mogen kennen. Ze verhaalt vurig over hoe de Neptune haar zomers heeft gevormd.Klein comfort in gouden tijdenNadia vertelt in geuren en kleuren hoe speciaal het voor haar en haar vrienden was dat zij, als tieners, altijd zomaar naar de Neptune konden en mochten gaan. Het was een magische tijd, ook al waren jongeren minder verwend dan vandaag. Nadia: “Maar gouden tijden kosten helaas ook wat centjes.” Daarom mochten we niet zomaar alle dagen gaan, wat heel begrijpelijk was.” Nadia herinnert zich ook dat de Neptune toch een zekere klasse had en dat er in Gent wel goedkopere zwembaden waren. “Iedereen was er welkom maar niet iedereen kwam daar zomaar”, verklaart Nadia. “Die cola of limonade, waar we allen zo naar uitkeken, voelde voor ons in die jaren toch aan als een beetje luxe. Maar goed, daar zitten ook alweer 60 jaar of 3 generaties tussen, hé!”  Jeugdig geflirt op de ligweideNadia geeft uitleg bij enkele foto’s waar zij, als 12-jarig meisje, op te zien is. “Er was een groot grasplein waar de plaatselijke jeugd graag samenkwam”. Zelf zocht Nadia voldoende afwisseling tussen de ligweide en het zwembad. Ook de jaren daarna bleef ze trouw terugkeren naar haar geliefde Neptune. Nadia: “Van mijn 12de tot mijn 15de trok ik er vaak heen met mijn vrienden en mijn buurjongen, Jackie Goethals. Dat was voor ons eigenlijk ‘the place to be’. Ook de cafetaria lokte Nadia wel eens voor een snack of een frisdrank. Maar de ware aantrekkingskracht ging volgens haar toch uit van de grote ligweide. Nadia: “Laat ons zeggen dat de jonge tieners daar met elkaar begonnen te flirten. Dat was het begin van het avontuur. Grandioos was dat; we vonden het daar ook zo mooi en gezellig”, gniffelt Nadia.De eerste kusNadia bewaart talloze prachtige herinneringen aan haar tienertijd die ze kon doorbrengen in de Neptune. En 1 herinnering steekt er met kop en schouders bovenuit: haar 1ste kus. “Ik wist dat die dag mij altijd zou bijblijven”, glimlacht ze. “Die 1ste kus was toch de kers op de taart. “Hij was namelijk van mijn buurjongen”, lacht Nadia. “Als dat geen mooie herinnering is!” “Geloof me: alle tieners liepen daar toen verliefd rond.” Ook bij Nadia is het niet bij die ene kus gebleven. “Door de jaren heen heb ik dankzij de Neptune veel vrienden gemaakt en zomerliefjes en geflirt gekend. Ja, ik mag zeggen dat ik echt met volle teugen heb kunnen genieten van die jeugdige vlinders in de buik.”Vriendschappen die blijven bestaanNadia trok vaak met haar stiefzus naar de Neptune, waar ze samen van alles beleefden. Ook nu houden de 2 zussen nog altijd goed contact, iets wat met veel anderen door de tijd wel wat vervaagd is. Toch is ze een 5-tal jaar geleden teruggekeerd met een vriendin om de oude sfeer nog eens op te snuiven en te giechelen over de vele gebeurtenissen die ze daar hadden meegemaakt. Nadine: “Het was die dag, net zoals tijdens de zomers van vroeger, heel warm en erg druk. Eerlijk gezegd vond ik het er nu wel iets te druk.”, lacht ze. Maar dat belette hen niet om te genieten van het mooie weer en de gezellige sfeer in de cafetaria. Na het zwemmen op familiebezoekNadia passeert nog praktisch iedere dag aan de inmiddels gesloopte Neptune. De leegte die er nu is, voert haar gedachten terug in de tijd. Terug naar de Broekstraat in het natuurrijke Mariakerke, waar haar geliefde grootmoeder woonde. “Mijn oma had in de Broekstraat een boerderij met daarachter een boomgaard. Telkens als we naar de Neptune reden, combineerden we dat met een bezoekje aan haar.”, vertelt Nadia. “In de zomer toch minstens 2 keer per week. Het was alsof je daar in een andere wereld terechtkwam.” Die natuur en rust deden Nadia en haar stiefzus na de intense zwempartijen in de Neptune veel deugd. De Neptune: geliefd en beruchtNadia is altijd al een fervente zwemster geweest. Toch zwom ze het allerliefst in de Neptune, dat zwembad was echt iets speciaals voor haar. Ze deed niets liever dan baantjes trekken in het water. “Wel moest je enorm opletten rond de springplank, als je geen duiker op je hoofd wou krijgen.” Het vele volk in de Neptune zorgde voor de nodige ambiance. “Laat ons zeggen dat de Neptune in die tijd geliefd en berucht was”, lacht Nadia. Of ze ook het nieuwe zwembad zal bezoeken? “Waarschijnlijk wel”, antwoordt Nadine. “Maar het zal dan toch eerder tijdens de rustige uurtjes zijn. Ik kijk er al naar uit om het samen met mijn kleinkind van 7 jaar, te ontdekken.”  Het ophalen van zoveel jeugdherinneringen heeft Nadia zichtbaar emotioneel gemaakt. “Ik zal vanavond in bed zeker nog terugdenken aan alle zalige momenten die ik in de Neptune heb beleefd  en aan het kattenkwaad dat we er hebben uitgestoken”, lacht ze met sterretjes in haar ogen. “De Neptune bewaar ik voor altijd in mijn hart.”Foto: Patrick HenryTekst: Liselot Vande Weghe

DE FAMILIE BERNADETTE: Patricia De Beule (°1971)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Patricia De Beule, opgegroeid als kind in de voedingszaken Végé en Bernadetje.Tot vandaag zet de Bernadettewijk een stevige stempel op het leven van Patricia De Beule. Haar sociaal engagement en ondernemingszin heeft ze zeker van daar meegekregen. Patricia is in meerdere opzichten een volbloed Bernadette. Als dochter van ouders die 2 voedingszaken uitbaatten, als trouw lid van de Gentse accordeonclub met vaste voet in de wijk en als jonge vrouw die in de Bernadettewijk in het huwelijksbootje stapte. “De mensen waren hier enorm hecht”, klinkt het veelvuldig tijdens ons gesprek. “Dat unieke Bernadettegevoel is moeilijk te omschrijven. Maar ik voel het nog altijd telkens opnieuw als ik vandaag een jeugdvriendin van toen opnieuw ontmoet.”  Patricia werd geboren aan de Gentse Dampoort. Het jaar ervoor was haar jonge broer Patrick na een tragisch ongeval in Frankrijk, overleden. Zij werd naar hem genoemd. Erna volgden nog 2 zussen. Patricia’s moeder, Monique Van Den Broucke, was afkomstig uit Eeklo, haar vader, Georges De Beule, uit Rieme. Als kind ontvluchtten Patricia’s ouders ieder met hun gezin de oorlog, richting Frankrijk. Ze groeiden er op en liepen er school. Na een toevallige ontmoeting op een lokale boerenmarkt, ging het snel. Ze huwden, ook al was de moeder toen pas 19 jaar oud. Patricia volgde dit voorbeeld trouwens zelf. Ook zij was nog geen 20 jaar op het moment dat ze huwde.Van de boerenbuiten naar de VégéIn 1963 trokken de ouders van Patricia naar Gent om er zich te vestigen in de Sint-Bernadettestraat. Nog in datzelfde jaar startten ze, als wildvreemde in Gent, al een voedingswinkel op, onder de naam Végé. Dat was zo’n typische winkel waar je als klant spaarzegels meekreeg om in een boekje te kleven. Het betrof een over te nemen handelszaak. Beiden opgegroeid als kinderen van landbouwers hadden ze hiervoor geen enkele voorkennis of ervaring. Wel wisten ze toen al wat hard werken inhield.Gaandeweg groeide het assortiment en werd er ook brood en banket opgenomen in het aanbod. Patricia: “De dokwerkers wisten dit aanbod wel te waarderen, op weg naar hun werk. Op sommige dagen stonden mensen al vanaf half zeven ‘s ochtends aan te schuiven.”Lange dagen en weinig rustAanvankelijk waren het lange werkweken voor Patricia’s ouders. Behalve op zondag, was de winkel alle dagen open van 06.30u tot 19u. Patricia: “Mijn vader heb ik nooit eens op zijn gemak weten eten.” Als kind trok Patricia wel meermaals ’s ochtends vroeg met hem mee naar de Groothandelsmarkt om er groenten en fruit aan te kopen. En om de twee weken trok ze met haar zussen en kinderen uit de buurt (o.a. Marc en Peter Glorieux) de wijk in om de reclamefolders te gaan bussen.“Mijn ouders hadden destijds slechts 1 week vakantie op een heel jaar”, getuigt Patricia. Die timing stemden ze af met melkboer André De Maesschalck en zijn vrouw Agnes die hier in de voorstraat ook een voedingszaak uitbaatten. Maar om de bewoners van de tuinwijk niet een week zonder eten te zetten, spreidden ze die vakantie later uit over halve dagen gedurende twee weken. Patricia: “Op die dagen waren ze dan open van 08u tot 12.30u. Voor hun vakantie trokken ze dan snel naar hun stacaravan in domein Puyenbroeck.” Als kind verbleef Patricia daar tijdens de zomervakantie een hele maand lang. Haar grootouders keerden daarvoor speciaal vanuit Frankrijk terug om op de kleinkinderen te passen en haar ouders zakten dan iedere avond naar Puyenbroeck af, om er te overnachten.Uuflakke, snuif en coulisseDe eerste winkel die de ouders van Patricia openhielden was op de plaats waar nu café Bierfonteintje gevestigd is. “Ik zie de indeling nog zo voor mij”, vertelt Patricia. “De snoepstand vormde de blikvanger bij het binnenkomen, zodat de kinderen niet te lang moesten zoeken naar hun kostbaar goed. Zoethoutstokken (coulisse of klishout) waren in die periode erg populair. Links had je de kassa en de stand van de rook- én snuifwaren. De oma van Miguel Wiels bijvoorbeeld kwam hier altijd haar snuif halen. Dat werd in die jaren nog veel verkocht.”Tijdens de zomermaanden stonden de groenten en het fruit uitgestald in bakken op het trottoir. Tenzij het te warm weer was. Patricia: “Maar ook binnen was er een afdeling van groenten en fruit. De bananen hingen er in trossen aan haken op.” De charcuterietoog bevond zich achteraan de winkel. “Daar vonden de klanten onder meer Gentse uuflakke (preskop), geleverd in ronde plastiek potten door Primus uit Oostakker”, vertelt Patricia. “We verkochten 3 tot 4 potten per dag. Klanten hadden een ijzeren draagmand ter beschikking om hun boodschappen in te leggen. Thuis heb ik nog de oude weegschaal met de contergewichten staan. Mijn ouders waren altijd gericht op vernieuwing en wilden mee zijn met hun tijd. Wel heeft de intrede van de computers hun meerdere slapeloze nachten bezorgd.”Patricia’s vader was een ware wielerfan. Bij een belangrijke koerswedstrijd met Eddy Merckx, plaatste hij steevast een klein tv-toestel in de winkel, aan de kassa. Sommige vaste klanten kwamen dan langs om de wedstrijd mee te volgen. De winkeldeur stond er altijd open.De Végé en BernadetjeAls kind waren Patricia en haar zussen sterk aangewezen op veel zelfstandigheid. De ondernemingszin werd met de paplepel meegegeven. Patricia: “Zelf voelde ik mij als kind erg aangetrokken tot onze buurtwinkel. Ik wilde constant meehelpen en vond het contact met de klanten erg plezant. Mijn taak bestond in het aanvullen van de winkelrekken, het meehelpen aan de kassa en wat ik het liefst van al deed: mee mijn pa op ronde om de bestellingen te gaan leveren bij de bewoners van de Bernadettewijk. Voor mensen die het financieel wat lastig hadden, toonden we begrip en hielden we de schulden bij in een boek. Dat werd met vertrouwen behandeld en met het nodige geduld geregeld. Daar is de kiem gelegd van mijn sociaal engagement. Een tijd lang heb ik nog overwogen om de zaak later over te nemen van mijn ouders, maar dat is er uiteindelijk nooit van gekomen.In 1979 verhuisde het gezin naar de Sint-Bernadettestraat 616, vlakbij Restaurant Ter Toren. “Wij liepen school naast de kerk. Mijn ouders hadden beslist om daar een tweede, nog grotere voedingszaak op te starten, onder de naam ‘Bernadetje’. De nieuwe winkel had een toonbank van wel 6 meter lang. Het assortiment was zeer ruim, met onder andere koude buffetten, charcuterieschotels, kaasplanken, pizza’s die ik mocht beleggen en klaarmaken in een oventje. Die pizza’s waren erg populair.”Die winkel bestaat vandaag nog altijd. Vader bleef de kleine winkel runnen en moeder bestierde dan de grote zaak, daarbij geholpen door meisjes op leercontract.” Dat hebben ze uiteindelijk twee jaar gecombineerd. Op een dag in 1981 was er een uitslaande brand ontstaan in het appartement boven de eerste winkel, die mijn ouders verhuurden. De uitslaande brand had er veel schade aangericht, wat mijn ouders deed besluiten om die winkel stop te zetten. Later maakte de winkel er plaats voor een soort van brasserie.” Patricia’s ouders zouden zich voortaan beperken tot de grote winkel en dat tot in 1996. Na 33 jaar dienst en hard werken, hadden ze hun rust wel verdiend. De zaak werd overgelaten aan de familie Van Hyfte. Patricia: “Mijn ouders hebben dan nog enkele maanden meegedraaid in de winkel, om die mensen wat op te leiden. Dat was voor hen een mooie afsluiter. De Bernadettewijk hebben ze nooit verlaten; ze bleven er wonen.”De dekenij en de kermisDe dekenij speelde een voorname rol in de wijk. Patricia nam deel aan alle reizen en uitstappen en trok met plezier naar het jaarlijkse Sinterklaas- en kerstfeest. De eerste deken, Jules de Bleye, speelde voor Sint. Later volgde Charles Wyckaert als deken Jules de Bleye op. “Charles vrouw, Astrid ontfermde zich vooral over de kostuums van de mensen die in de kermisstoet meeliepen”, weet Patricia. “Zij deed in verhuur van carnavalkostuums en stond in voor de kledij van de bloemenmeisjes. Christine De Jonghe, schoondochter van Mietje Van de Sompel, kwam dan meehelpen om de kinderen mee aan te kleden en te schminken.” Charel Verhelst – blinde Charel – was de oprichter van het trommel- en majorettekorps van Sint-Bernadette. De hoofdmajorette was Martine Coysman, een van de dochters van de familie Pycke. Patricia: “Zelf heb ik nog meegelopen als bloemenmeisje, maar nooit als majorette. Niet deelnemen was toen echt geen optie. Iedere rechtgeaarde Bernadette stapte mee in de stoet.”De jaarlijkse kermis van de dekenij was volgens Patricia ronduit fantastisch. “Iedereen kwam er voor naar buiten en er was altijd veel ambiance. De liedjes die je aanvroeg in de Nova werden met bijhorende boodschap afgespeeld en weerklonken met behulp van luidsprekers in alle straten. Om de zoveel huizen hing er een haut-parleur op.” Vroeger waren er heel veel handelszaken gevestigd in de wijk. Zo herinnert Patricia zich schuin tegenover café Bierfonteintje twee slagers, maar ook dameskapsalon Nadia en de dagbladhandel bestaan hier al lang. Patricia: “Met Nadia zat ik samen in de Gentse accordeonclub. Zij en mijn zus Anouchka, waren heel bedreven in het accordeon spelen.” Lesgever was Bert Lenny (Bert Lenssens). De lessen werden individueel thuis gegeven en tweemaal per maand was er repetitie in de kring. “Onze groep telde zo’n 20 leden, de dirigent en drummer inbegrepen”, weet Patricia. “De meesten kwamen uit de buurt, maar later ook van verder, onder meer uit Lovendegem. Dat kwam door deel te nemen aan wedstrijden. Ons repertoire was erg breed, met vooral ook veel meezingers. In tegenstelling tot mezelf, heeft mijn zus Martine haar instrument nog altijd en speelt ze vandaag soms nog als vrijwilligster in rusthuizen. Omdat mijn vader mooi kon zingen, trok hij vaak, na het sluitingsuur van de winkel, mee met onze optredens. Samen hebben we heel vaak een podium gedeeld, onder meer in de Nova. De zaal zat constant vol. We speelden in buurthuizen, ontmoetingscentra, ziekenhuizen, rusthuizen,…, zowat in heel Gent. Zelf met Walter De Buck aan Sint-Jakobs hebben we het podium gedeeld. Met de club besloten we op een dag om deel te nemen aan de kermisstoet hier in de Bernadettewijk. Dat leefde evenzeer als de Oogststoet in Oostakker. En de kaarskesstoet trok veel volk, zeker ook de kinderen die dan in pyjama mee stapten.”  Op zaterdag was er Franse les in de stadsschool, gegeven door mevrouw Bauwens uit de Scheepslossersstraat. Omdat een groot deel van Patricia’s familie uit Frankrijk afkomstig was, volgde zij die lessen ook.Het contact tussen de handelaars in de wijk bleek goed. Patricia: “Er werd vooral op toegezien dat de sluitingsdagen elkaar niet overlapten, zodat de bewoners niet zonder eten kwamen te zitten.” Patricia’s vader was actief lid van de dekenij en zelf is ook zij altijd lid gebleven. Het was een sociale dekenij. Een Bernadette die 80 jaar werd, mocht zich tijdens de kermis verwachten aan een bezoekje met de fanfare, die dan een kleine serenade bracht en met een voedselpakket, aangeboden door de dekenij.Nadien is de bewonersgroep De Smileys opgericht, die zich ook actief hebben ingezet voor de buurt.Bernadette, een hechte familieDe Bernadettewijk roept bij Patricia vooral warme vriendschapsgevoelens op. “De Bernadette was één hechte familie”, getuigt ze. “Er waren in die tijd veel minder auto’s dan vandaag. Bij mooi weer nam ik een zak snoep of een tak druiven uit de winkel mee en trok ik naar onze vrienden op het pleintje.” Tot vandaag kent Patricia nog altijd heel wat Bernadettes, waar ze nog geregeld contact mee heeft. Patricia: “Ik kan me moeilijk voorstellen dat er nog zulke warme, sociaal voelende wijken zijn zoals de Bernadettewijk. Die samenhorigheid was toch vrij uniek, vind ik. Mensen zetten zich toen serieus in voor de gemeenschap. Het engagement was sterker. Vandaag hebben de mensen het veel te druk: een hectische job, te veel hobby’s,… en bijna allemaal tweeverdieners.”Patricia wilde de Bernadettewijk niet helemaal verlaten en verhuisde in 1991 uiteindelijk naar de Hogeweg, iets verderop. Net als haar moeder stapte ook zij op haar 19de in het huwelijksbootje. De trouwbrief werd uitgehangen in de winkel. Alle klanten waren welkom op de receptie. Uiteindelijk kwamen ruim 400 mensen langs. Daarna was er in de namiddag een dienst in de kerk en een maaltijd in de Nova.In 1996 werd er definitief afscheid genomen van de winkel. Patricia wordt er nog altijd stil van. “Een emotioneel moeilijk moment voor mijn ouders. De wijkbewoners leefden erg mee, wat de Bernadettewijk wel typeert. Bij een huwelijk bijvoorbeeld, gingen mensen op straat gaan staan kijken tot wanneer het paar voorbij reed. Iedereen kende iedereen bij naam. Dat was zo, bij ons in de Bernadette.” Foto: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Linda Claus (°

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Linda Claus, vandaag nog altijd actief in het Nova-centrum.Linda was 10 jaar oud toen ze naar de Bernadettewijk verhuisde. Of liever, net erbuiten, naar de voorstraat. Sindsdien heeft ze altijd in de Bernadettestraat gewoond. Nu met haar man, vroeger met haar ouders. Zij is een Claus, een kind uit een van de befaamde grote nesten die de Bernadettewijk bevolkten. Linda is iemand die de boel graag draaiende houdt. Sinds jaar en dag staat zij achter de toog van het Novacentrum, zeg maar het katholieke hart van de Bernadettewijk. De katholieke kring heeft gedurende al die jaren het sociale gevoel van de wijk enorm versterkt, beweert ze. Maar ook Linda moest lijdzaam toezien hoe de wijk beetje bij beetje leeg liep. Zij is één van de laatste uitwassen van de typische Bernadettegeest. Met een zekere halsstarrigheid blijft ze allerhande evenementen organiseren en kent ze nog altijd iedereen. Ze blikt maar al te graag, met een zweem van melancholie, terug op het leven in de Bernadettewijk.Opgroeien als BernadetjeIn 1965 verhuisde Linda met haar ouders van de Dampoort naar de Bernadettewijk. Ze kwam terecht in een sociale buurt, waar de bewoners elkaar kenden. Iedereen moest het met even weinig stellen en iedereen toonde zich daar even content mee. Het is vooral die specifieke sfeer, die Linda nog goed kan oproepen. “Het contact met de buren was zeer goed. Destijds had iedereen een met hagen afgesloten voortuintje, dat dienst deed als fietsenstalling. Ik woonde hier samen met mijn ouders, mijn zus en mijn vier broers.” Grote kroosten in kleine huizenOmdat de familie Claus acht leden telde, werden ze al snel een begrip in de wijk. Linda: “Iedereen zat hier continu buiten op zijn dorpel of stoel. Men zwaaide naar passanten of sloeg er een zoveelste babbeltje mee. Niemand was onbekend binnen de poortgebouwen. Van iedere voordeur wist ik welk gezin er achter woonde.”En aan speelkameraadjes ontbrak het niet, met al die grote gezinnen. Linda: “Bekend waren onder andere de families Van Neste, De Smul, De Clercq, Wiels, Pycke,… en ga zo maar door”. De huizen waren klein, weet Linda nog goed: “Er is mij al vaak gevraagd hoe we dat toch deden om te slapen, met zes kinderen. We hadden maar twee slaapkamers, een kleine en een grote. Dat is de reden waarom mensen toen zoveel buiten zaten.”In de woningen was er geen plaats voor een badkamer. Daarom gingen de Clausjes, net zoals de andere grote gezinnen, een stortbad nemen in de stadsschool. “Met één geldstuk kreeg je er de hele kroost gewassen. Dat kende succes, aangezien bijna niemand zich thuis deftig kon wassen. Je kwam daar altijd bekend volk tegen, we spraken er zelfs speciaal voor af.” De stadsschoolDe kinderen uit de meeste grote gezinnen trokken naar de stadsschool in de wijk, en niet naar de katholieke school, iets verderop. Het voordeel was dat de stadsschool alle materiaal, zoals potloden of boeken, gratis ter beschikking stelde. Ideaal voor de grote gezinnen, die het met een karig inkomen moesten stellen. Linda zat in een goeie klas. “Martine De Regge, voormalig Gents schepen, was een klasgenoot! De familie De Regges heeft van de school ook een warme plek gemaakt.”Het was vooral volk uit de wijk zelf dat hier school liep. Linda vertelt dat je dat kon merken tijdens de schoolfeesten: “Tijdens het jaarlijkse sinterklaasfeest zat de schoolzaal bomvol. De ouders, de kinderen, echt de hele wijk was daar verzameld. De leerlingen kregen toen ook cadeaus van de Stad Gent, zoals een leesboek.”Linda herinnert zich ook nog de buitenschoolse activiteiten die er plaatsvonden. Zelf nam ze daar niet aan deel. Veel liever speelde ze gewoon buiten op straat. Een warme school heeft ook warme spilfiguren nodig. Zo was er meester Sonck. “Die gaf les in het vierde, ook aan mijn broers Rudy en Alex. Ze hebben twee jaar geleden nog eens een bijeenkomst van die klas gehad. Meester Sonck was daar ook, op z’n tachtigste.” Ook de schoolfeesten waren memorabel. Linda: “Er waren meer dan genoeg gelegenheden om schoolfeesten te geven. Er waren zelfs bals, waar iedereen schoon uitgedost naartoe trok.”De leegloop van de wijk ziet Linda met lede ogen aan: “Die mensen waren hier allemaal liever samen gebleven, in het nieuwe woonproject. Maar dat was niet mogelijk, wat bij velen op de maag lag, en terecht. De Bernadettes waren genoodzaakt uit te zwermen. Er zijn mensen vertrokken naar Zwijnaarde, Nieuw Gent, Ledeberg, het Rabot… Dat was hier een sociale wijk, hé, zoiets doet zeer.”Het Novacentrum, verzamelplaats van de katholieke kringVeel te doen in de NovaHet maakt niet om wie het gaat, Linda heeft in haar Novacentrum allerlei soorten mensen weten passeren. Het was een ware sociale draaischijf van de Bernadettewijk. Linda vertelt over enkele spilfiguren, waaronder Wim Marievoet: “Wim had hier zijn jeugdclub, genaamd Evolution. Dat is hier allemaal begonnen met één eindejaarsfuif die een gigantisch succes kende. Dat evolueerde dan tot een maandelijkse dancing in de wijk.” “Jeugdhuis Evolution was een gebeuren voor letterlijk iedereen”, getuigt Linda. “De oudste van mijn drie zoons, een goede vriend van Wim, kwam hier elke maand dansen. Ikzelf ging ook, met mijn vriendinnen. Ik weet nog goed dat Pastoor Dries mij indertijd aansprak: ‘Lindaatje,’ zei hij, ‘’k Zou daar ook gaarne eens naartoe gaan.’ En ik hem beloven dat ik hem kwam halen. Die kon dat niet geloven!” Zo werd de pastoor ook lid van de club. Jeugdhuis Evolution zoog de hele wijk naar de Nova. Wegens groot succes verhuisde Evolution van de kantine naar de grote zaal, die steevast volzat.Naast de maandelijkse dansavonden vonden hier wat meer christelijk geïnspireerde evenementen plaats. “Ook de dekenij kwam hier iedere maand. Voormalig deken, Charles Wyckaert,  heeft er enorm veel voor betekend, getuigt Linda. “Hij organiseerde maandelijks etentjes en muziekavonden, met een orgel. Een andere Charles, we noemende hem ‘Blinde Sjarel’, en zijn vrouw Diane, speelden op het orgel. En iedereen maar dansen! Na deken Wyckaert is alles wat stilgevallen, omdat er geen opvolger werd gevonden.“Je had hier destijds ook Cinema Nova. Daar ben ik enkele keren naar de film gegaan”, vertelt Linda. Maar niet al te vaak, want buiten spelen bleef het goedkoopste.De gebuurtefeestenIeder gebuurtefeest bracht de hele wijk op de been. Maar de grootste volksmassa die Linda zich kan herinneren, was tijdens de Kaarsjesstoet. De stoet hoorde bij de jaarlijkse dekenijfeesten, en iedereen liep daarin mee. “Als we dan hier in de Nova toekwamen, kreeg iedereen een washandje met een stuk zeep in”, zegt Linda.In de stoet liepen ook twee reuzen mee, een man en een vrouw. Tijdens de dekenijfeesten stonden die hier, in de zaal van de kring. Het was een bontgekleurde stoet, zegt Linda: “Twee of drie korpsen majorettes liepen er in mee. Ikzelf stapte mee met de Buffalo-supportersgroep, met op kop Ben Bundervoet, de gekende mascotte in indianenkostuum. Ik werkte destijds in de Carrefour en spaarde dan een heel jaar lang zegeltjes om prijzen te winnen. Tijdens de stoet werden die prijzen rondgegooid door kindjes in een paardenkar.”De gebuurtefeesten vormden een echt familiegebeuren. Voor Willy en Irene, de bakkers, was dat lastig: “Die konden de bestellingen voor taarten gewoon niet bijhouden! Op dat vlak waren de jaren 1970 - ’80 de topjaren. De laatste jaren van die feesten ging de bakker zelfs gewoon met verlof.”De jaarlijkse kermis was ook een hele bedoening. Linda herinnert zich nog hoe de deken er zich amuseerde. “Aanvankelijk was dat Jules De Blye; die had zijn naam ook niet gestolen! Na zijn overlijden werd de fakkel doorgegeven aan  Charles Wyckaert.” En geen kermis zonder kermiskoers, maar dat bleek in de Bernadettewijk lang geen memorabele. Linda: “We hadden hier wel uitstekende voetballers, maar koerstalent zeker niet.”Linda mist die jaren van de kermis, dat merk je snel: “Hier op het plein in de Bernadettestraat had je de botsauto’s. Recht tegenover café De Nova stonden de draaimolen en de bootjes… Op elk pleintje kon je een ander spel spelen: zaklopen, met een fiets over een ei rijden, een hindernisparcours afleggen,... Dat is allemaal zo lang geleden.”De gebuurtefeesten duurden een heel weekend. Hier, aan de Nova, was er een muziekkot ingericht, waar iedereen een verzoeknummer kon aanvragen,” herinnert Linda zich. “Vooral Vlaamse schlagers. Die werden dan door een intercom met luidsprekers voor de hele straat afgeroepen. Dan weerklonk bijvoorbeeld: ‘Aan mijn ventje: schat, niet te zat, hé, vanavond!’ Er moesten geen namen genoemd worden, iedereen wist over wie het dan ging (lacht).” Naast het muziekkot maakte de dekenij ook gebruik van de zaal van de Novakring. Linda: “De deelnemers van de stoet traden ook daar nogmaals op. Rond vijf uur kwamen alle toeschouwers piepen, als sardientjes in een blik. Het waren hier precies een kleine Gentse Feesten. (zucht) Spijtig dat dit alles is weggevallen. Zoiets doet voor veel volk echt zeer.”De Nova als noodkerkDe mensen die tijdens de dekenijstoet de reuzen droegen, zijn hier in de Nova destijds nog getrouwd. Linda legt uit: “Dat zal hier dan in de kantine geweest zijn, tijdens de bouw van de nieuwe kerk! De Nova deed hier toen dienst als noodkerk. Je kon hier dan ook de mis bijwonen.” De nieuwe kerk werd er in 1969 gebouwd. De Zusters van BernadetteOok de vier Zusters van de school bleken rasachte Bernadettes, zegt Linda. “Altijd klaar om in de bres te springen, altijd present als er iets te doen was. “Mijn man heeft voor hen en de twee pastoors nog Paasdiners bereid. Telkens hij met een schotel uit de keuken kwam, kreeg hij applaus (lacht). Ze hebben echt heel veel voor de buurt gedaan, en verwachtten daarvoor niets terug, op hun Paasdineetje na. Na verloop van tijd waren de Zusters nog maar met drie. Volgens de kerk vormde dit niet langer een Zustergemeenschap. Hun vertrek liet de wijk dan ook gebroken achter.”De Zusters zorgden er ook voor dat de band met de rest van de wijk, de andersgezinden, goed zat. Rood, groen, blauw of wat dan ook, voor hen speelde het geen enkele rol. Linda herinnert zich bijvoorbeeld nog goed het moment waarop haar zoon betrokken was bij een ongeval met zijn brommer. Linda: “Dat was net voor onze skireis naar Oostenrijk, georganiseerd door de Rode Vossen. Wij gingen met het hele gezin mee en mijn man zou er voor iedereen koken. De Zusters leenden ons toen een rolstoel , die mee mocht op de bus van de socialisten.” Ook kinderen die al eens hun brooddoos vergaten, konden bij de Zusters terecht voor een paar boterhammen. Zuster Simone, die nog lang lid bleef van de naaiclub van de Nova, ging vroeger rond met het parochieblad. Toen zij last kreeg van haar knie, vroeg ze aan Linda om over te nemen. “Als ik wat tijd vond tussen het werk en het opvoeden van mijn zonen en kleinkinderen door, ging ik op ronde. Omdat ik nogal een babbelaar ben, geraakte ik op een namiddag soms niet verder dan twee huizen. Als mensen jou binnen vragen, kan je toch moeilijk refuseren, hé. Die zijn al zo blij dat ze nog eens met iemand kunnen praten. Vele ouderen zaten hier vaak moederziel alleen…” Buffalo’s in hart, maag en nierenMet maar liefst drie voetbalploegen in de wijk, hoeft het niet te verwonderen dat de Bernadettewijk altijd zot is geweest van voetbal. Vele bewoners hier droegen een echt Buffalohart. Linda kreeg haar fanatisme met de paplepel mee. “Mijn ouders waren zo’n grote Buffalo’s dat ze in 1981 een supportersclub hebben opgericht. Café Neptune, naast de school hier wat verder in de straat, werd het stamcafé.” Ze ondernamen dit samen met Rudy Gerinckx, Linda’s echtgenoot Fernand Van Cauter, diens broer en zus, Eric en Marina. “Vroeger telde onze supportersclub meer dan honderd leden. Voor wedstrijden op verplaatsing legden we dan een bus in. Linda en Regina smeerden toen altijd pistolets met gehakt voor de deelnemers. Wat ze trouwens ook al deden tijdens de jaarlijkse gebuurtefeesten. Vandaag hoeven de supporters geen lid meer te zijn van de club zijn om mee te gaan: “De tickets zijn voor de meesten al duur genoeg.”“Toen café Neptune verdween, verhuisde de club naar Café Nova, hiernaast. Dat was toen bij Chantal,  een cafévrouw uit de duizend”, zegt Linda. Zij organiseerde er jaarlijks een groot eetfestijn voor de supportersclub, met op het menu: biefstuk friet. Linda: “Op één weekend verkochten wij meer dan 30 kilo biefstuk. En mijn man, die kok is geweest, stond dan hier op het terras te bakken.” In november maakte Fernand ook een hutsepot klaar ten voordele van de supportersclub. “Dat was dan voor een man of 150. Naast de nog eens 50 Bernadettes die hun maaltijd kwamen afhalen met hun casserole kwamen afhalen.” Nu haar man 70 jaar is, gaat dat zo gemakkelijk niet meer. Er heeft hier aan de Nova ook een tijdje een dreupelkot gestaan. “Ik vroeg daar een vergunning voor aan vanaf de vrijdag, maar ’t zatte volk bleef plakken tot zondagnacht, niet normaal.” En het zouden ook geen Buffalosupporters zijn mochten ze geen Buffalococktail hebben verzonnen. Linda: “Een blauwe, natuurlijk! Curaçao, wodka, en nog iets bij”, somt Linda op. “Die cocktail hebben we dan maar Viagra genoemd. Die verkocht als zoete broodjes, maar ik vrees alleen dat de Viagra niet zeer goed heeft gewerkt, met al die zware kalibers (lacht). De Nova vandaagDe supportersclub bestaat vandaag nog altijd, net als de Nova overigens. Er worden nu nog bingoavonden (“met Dragqueens!”) gehouden, en de petanqueclub is hier ook iedere week actief. Linda is al 12 jaar trotse uitbater van de Novakring: “Ik ben er destijds eerder toevallig in gerold en kijk: ik sta hier nog ieder weekend achter de toog. Hierbij krijg ik de waardevolle hulp van Carine Van De Woestijne.” Mensen komen hier nog altijd een kaartje leggen, breien of voor een partijtje petanque. De Bernadettes vandaagAls we tot slot Linda vragen om het Bernadettegevoel te omschrijven, hoeft ze niet lang na te denken: “sociaal, zorgzaam en verbonden als een echte familie. Christiane Pycke en Hilda Van Neste zijn daar mooie voorbeelden van. Peter van de boekenwinkel en kapster Nadia trouwens ook. Daar ga ik nog iedere week langs.” Maar dat zijn de weinigen die nog overschieten. Linda betreurt de leegloop: “Vroeger had je hier zo veel: een klerenwinkel, een kaaswinkel, twee bakkers, twee slagers, wel zeven cafés… Alles verdwijnt hier, samen met de mensen.”De Bernadettewijk mag dan tot puin worden herleid, de Novakring blijft bestaan. Linda: “Zolang er volk over de vloer komt, doen we door. En dat kan nog lang duren, want ik zie toch uitgezwermde Bernadettes blijven komen.”Foto: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Christiane Soetewey en Marc Glorieux

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Christiane Soetewey en haar zoon, Marc Glorieux, naast Bernadettes ook echte Buffalo's. Het is wat zoeken naar een vrije zitplaats in het huis van Christiane Soetewey en haar gezin. Zowat overal verspreid staan dozen, de ene al wat gevulder dan de andere, klaar voor de nakende verhuis. Geen gemakkelijke stap om te zetten, want Christiane woont intussen 40 jaar in de Bernadettewijk. Samen met haar man, Charles Glorieux, die ze steevast ‘mijne baas’ noemt en hun 6 kinderen, hebben ze hier een mooie, lange tijd beleefd.  In alle hoeken een stapelbedVan oorsprong is het koppel niet van de Bernadettewijk. Christiane en Charles betrokken eerst met  hun eerste drie kinderen een klein huisje in de Stropwijk. Ze woonden er allemaal samen in één kamertje. De laatste drie zijn geboren in de Bernadettewijk. “Ik weet nog dat ik 13 jaar was toen we hier in de wijk kwamen wonen”, vertelt Marc Glorieux, Christianes oudste zoon. In totaal woonden ze met acht in het huisje. Moeilijk, maar het lukte wonderwel. In de ene kamer sliepen er twee kinderen en in de andere vier. “We hadden stapelbedden geplaatst in de slaapkamers, één in iedere hoek”, licht Christiane toe. Zij sliep met ‘hare baas’ in de kamer vooraan. Tuinmannen van dienstToen het gezin in de Bernadettewijk neerstreek, hadden de huisjes nog allemaal een voortuin. Christiane en haar zonen vonden dat echt een pluspunt. Christiane: “Het waren kleine hofjes met bloemen, heel kleurrijk, waardoor ze de wijk een leuke sfeer meegaven. Jammer dat die verdwenen zijn.” De tuintjes bleken niet alleen leuk om naar te kijken, maar ook om in de werken. Vooral de zonen Peter en Marc wisten er zich in uit te leven. Het gras afrijden bij oudere buren stond wel vaker op het programma. Vele buren hier noemden hen ‘de mannen van het onderhoud’. Het was een serieuze bezigheid. “Ik denk dat ik de tuin nog het meest van al ga missen”, geeft Marc grif toe. “Het huis waar we nu naartoe trekken, heeft geen tuin, dat is zo jammer.”Het sociale leven van de familie GlorieuxDe tuinen zijn niet het enige wat ze gaan missen. De familie was ook actief lid van de Dekenij Bernadette. “Wie op zoek was naar sfeer of gezelligheid, was bij de dekenij altijd aan het juiste adres”, lacht Christiane. Er viel altijd wel iets te beleven op een feestdag. “Was het Sinterklaas, dan kwam de Sint langs met pakketjes aan de deur”, vertelt Marc. “Al wie jonger was dan 13 jaar, kreeg dan een zak vol snoepgoed, een gift van de dekenij.” Daarnaast stond de dekenij ook in voor de vele wijkfeesten. “Dat waren mijn favoriete dagen”, lacht Christiane. “Er was veel volkse sfeer toen op straat. Iedereen kwam naar buiten en er werd veel gelachen en gepraat.” Het gezin nam ook deel aan de rommelmarkt die op die dagen werden georganiseerd. Iedereen stond dan buiten met een kraam vol spullen. “Deelname kostte slechts 1 euro en in ruil had je er een hele dag plezier voor”, verzekert Christiane. Naast het actief lid zijn van de dekenij, trok het gezin ook vaak met een grote groep bewoners uit de wijk op vakantie. Telkens met een Europese bestemming, zoals Oostenrijk of Tsjechië. De groep bestond naast Bernadettes ook uit mensen uit andere wijken.Bernadette Buffalo en fanfareJe kan er niet naast kijken: het huis van Christiane is versierd met vlaggen van AA Gent. Het begint al bij het raam aan de straatkant. Hier wonen duidelijk Buffalo’s. “Gaan supporteren voor blauw-wit was ook een typische uitstap die we vroeger maakten”, vertelt Christiane. “Samen met de buren gingen we dan naar de wedstrijden kijken. Het vervoer gebeurde met een autobus.”  Voetbal kijken en supporteren bleken trouwens niet de enige hobby van de familie. Zo was Marc ook actief lid van de plaatselijke fanfare. Hij speelde er trommel. Trots trok hij dan mee met het korps door de Bernadettewijk om er de sfeer te bepalen.  De kindertijd van de kinderenDe kinderen van Christiane en Charles blikken gelukkig terug op hun jaren in de Bernadettewijk. Sommige van hen liepen zelfs school in de wijk. “Het was een degelijke school met goede leerkrachten,” beweert Christiane. “Vele vrienden van de kinderen gingen ook naar die school en het was gemakkelijk voor ons, want dichtbij.” Maar natuurlijk liepen de kinderen niet enkel school in de wijk, ze haalden ook wel het nodige kattenkwaad uit, hoe kon het anders? Ze speelden en ravotten samen op verschillende pleintjes. Marcs beste vriend woonde ook in de wijk. “We voetbalden vaak samen, het was tof om zo een goede vriend dichtbij te hebben”, vertelt Marc. De melkboer“We hebben hier 40 jaar gewoond. De tijd dat er ook winkeltjes waren in de voorkamers van sommige huizen in de Bernadettewijk, hebben we niet gekend”, getuigt Christiane. Wel waren er verschillende zaken in de voorstraat, zoals 2 apothekers en de zuivelwinkel. De melkboer kwam hier wekelijks melk brengen tijdens zijn ronde. Die gebruikten we vooral voor het maken van pap voor de kinderen.” Het vertrekDe verhuisdozen zijn goed gevuld en alles ten huize van Christiane en Charles staat klaar voor vertrek. “Gelukkig trekken we naar een buurt waar nog veel andere Bernadettes wonen. Zo voelen we ons direct een beetje thuis”, zegt Christiane met een gerust gemoed. Maar hoe dan ook zal het afscheid niet gemakkelijk zijn voor dit gezin. Zeker omdat drie van de zes kinderen nog thuis wonen. En ook Marc ziet een lichtpuntje: “Gelukkig is er pleintje in de buurt waar we gaan wonen. Op die manier heb ik toch een beetje het gevoel over een tuintje te beschikken. Ik heb ook gehoord dat je er mooi kan wandelen, dus dat is goed.” En hoe positief het gezin de zaken probeert te benaderen, gaat er ook veel verdriet gepaard met het nakende vertrek. De sfeer, de tuinen, de buren, het huis,… ze gaan het allemaal hard missen. Het afscheid zal niet gemakkelijk zijn voor het gezin. “In de 40 jaar dat ik hier gewoond heb, heb ik me altijd een rasechte Bernadette gevoeld,” vertelt Christiane trots, “Het is een echte familie voor mij. En dat zal zo in mijn herinnering altijd blijven.”  Foto: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Marie-Jeanne Verhelst (°1946)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Marie-Jeanne Verhelst, opgetekend door Raconteur Sam. Dat Marie-Jeanne Verhelst een volbloed Bernadette is, merk je al van in de entree van haar nieuwe woning in de Spijkstraat. Het opgehangen diploma aan de muur wijst er op haar jarenlange inzet voor de dekenij Bernadette, in 1946 opgericht door niemand minder dan haar vader. Zelf zou ze zich er een heel leven hard voor inzetten. Het verlaten van de Bernadettewijk na 75 jaar er te hebben gewoond, was zwaar. Maar nu heeft ze er vrede mee. Zeker met een rugzak vol mooie herinneringen en aloude vriendschappen.  75 jaar BernadetteGeboren en getogen in de Bernadette wijk: zo kan je Marie-Jeanne in één zin omschrijven. Een echte Bernadette, dat is ze zeker. 75 jaar lang heeft ze er gewoond. Haar grootouders langs beide kanten woonden in de wijk en voor haar vader was de wijk 92 jaar lang zijn thuis. Vanaf 1946, Marie-Jeannes geboortejaar, kon je in de Bernadettewijk maar liefst 3 generaties van de familie Verhelst aantreffen. “Mijn eerste eigen huis was zelfs het huis van mijn grootmoeder, het tweede huisje naast de poort”, zo beschrijft Marie-Jeanne het. “We waren altijd met zes thuis. Mijn ouders woonden op een appartement met maar twee slaapkamers. Toen ik geboren werd, zijn we verhuisd naar een woonhuis aan de voorstraat. Zo kwamen we van vanachter naar vooraan in de wijk.”. Qua drukte viel dat al bij al goed mee. Marie-Jeanne deelde een slaapkamer met haar zus, net als haar twee broers dat deden. En tegen het moment dat haar jongste zus werd geboren werd, woonde haar oudste broer al ergens anders. Zo bleef het gezin altijd met zes in het huis wonen. Ook haar zoon bleef nog een tijd lang in de Bernadettewijk wonen. Marie-Jeanne: “Mijn kleinkinderen kwamen in die tijd iedere woensdagmiddag bij mij eten. Levendige scholen en winkelsMarie-Jeanne liep als kind school in de wijk. “Ter hoogte van de huidige appartementen, stonden vroeger barakken”, herinnert ze zich nog goed. “Daar heb ik nog in de kleuterklas gezeten. Daarna zijn ze beginnen bouwen aan de stadsschool.” In haar tijd trokken zo’n 500 leerlingen naar de stadsschool. Dat gebeurde met de nodige begeleiding, legt Marie-Jeanne uit. “Een meester kwam dan ’s ochtends vroeg via tram of bus naar Oostakker, om er de plaatselijke kinderen op te halen. Want in die tijd telde Oostakker nog niet veel scholen.” Dat verklaart het grote aantal leerlingen in de Bernadettewijk. Ook Marie-Jeannes vier kinderen gingen destijds met plezier naar de stadsschool gegaan. In totaal telde de Bernadettewijk maar liefst drie scholen: de stadsschool, de school van de broeders en die van de zusters. Daarna waren er ook vele winkels. Groentewinkels, kruideniers, een kapper, bakkers, klerenmakers, fietsenwinkels, slagers, … noem maar op. De Bernadettes konden zo goed als alles vinden in de buurt. “Bij Maria’tje kon je snoep kopen”, herinnert Marie-Jeanne zich nog goed. “Mijn grootmoeder had ook een winkel. Zelf heb ik er niet veel geholpen, want ik was nog klein. Maar mijn ouders staken daar wel een handje toe”. Verder telde de wijk ook nog 4 cafés. Zelf kwam Marie-Jeanne er niet vaak over de vloer, in tegenstelling tot haar ouders. Een familie-uitstap beperkte zich tot een bezoek aan de markt Gent centrum. Maar zelfs dat gebeurde maar sporadisch.  Om vrienden te zien, moest Marie-Jeanne nooit ver lopen en de wijk werd gekenmerkt door een goede sfeer. “Iedereen kende iedereen, en het belangrijkste, iedereen hielp ook iedereen”, vertelt Marie-Jeanne opgewekt. “Vroeger speelden we heel veel op straat, omdat er nog niet veel verkeer was. En hier en daar werd er dan ook wat kattenkwaad uitgestoken”, lacht Marie-Jeanne. “En met vriendinnen gingen we samen naar de turnles”. Kantelpunt in 1992 1992 betekende voor Marie-Jeanne een kantelpunt in het leven in de Bernadettewijk. “In dat jaar werden de huizen verbouwd”, licht ze toe. “Dat was op zich wel een stap vooruit: we kregen nieuwe ramen en deuren en een bijbouw met een aparte badkamer en keuken. Mijn grootvader had ooit een stenen veranda gebouwd. Die hebben wij destijds zelf omgebouwd tot keuken en badkamer.” Maar de vernieuwing van de woning trok ook heel wat nieuwe bewoners aan. Marie-Jeanne: “Met de nieuwe mensen had ik niet meteen een band, wat ik best wel jammer vond.” Een geëngageerde BernadetteMeteen als je binnenkomt in haar nieuwe woning in de Spijkstraat, merk je dat Marie-Jeanne een volbloed Bernadette is geweest. Al in de inkom verwijst een diploma aan de muur, op haar jarenlange inzet voor de dekenij.  “Mijn vader heeft die nog mee opgericht”, vertelt ze met de nodige trots. De dekenij ontstond in september 1946, een half jaar na haar geboorte. De koffietafels, de kermis, de stoet,… bij alle activiteiten stak Marie-Jeanne mee de handen uit de mouwen om te helpen. De laatste jaren was het in zaal Nova waar de Bernadettes samen kwamen om te eten, te lachen en te praten, vaak met een amusante show erbij. Ook toen stond Marie-Jeanne telkens paraat. De dekenij hield het niet bij activiteiten in de wijk, maar durfde al eens een stapje in de wereld te zetten. Marie-Jeanne: “Zo gingen we wel vaker op uitstap met de gepensioneerden uit de wijk. Nooit ver weg, maar het was wel altijd een mooie ervaring. Het schoenmuseum, het kappersmuseum,… we bezochten het allemaal. Of we trokken samen naar de dierentuin of namen een frisse duik aan zee. Ik was er telkens bij.” Een nieuwe buurt, maar de band met Bernadette blijftNa de dood van haar man, in 2005, vond Marie-Jeanne dat het tijd was om te verhuizen. Maar door verschillende omstandigheden heeft ze nooit het huis gekregen dat ze voor ogen had. “Ik ben in de Bernadettewijk blijven wonen tot ik het bericht kreeg dat ik moest verhuizen. Van die mededeling ben ik echt niet goed geweest. Ik was er ziek van. Het liefst was ik er mijn hele leven blijven wonen.” Maar de band met de Bernadettes is er nog, verzekert Marie-Jeanne ons. “Soms bel ik nog naar vrienden van toen. Of zij bellen mij. Gelukkig wonen sommigen hier nog dichtbij. Soms neem ik de bus naar de Bernadettewijk om eens te gaan kijken of om met iemand af te spreken.” In april 2021 verhuisde Marie-Jeanne naar een appartement in de Spijkstraat. Gelukkig heeft ze ook daar goede buren. “En het tuintje is ook wel echt een troef”, vertelt ze zichtbaar tevreden. “Ik heb het samen met andere bewoners helemaal opgeknapt en versierd. Bij goed weer is het heel gezellig en rustig om er te zitten. Eigenlijk woon ik hier graag”, geeft Marie-Jeanne toe. “Een groot voordeel is dat alles beneden is. Trappen zijn nu moeilijker geworden voor mij. Dat begon in haar woning in de Bernadettewijk wel te wegen. Maar zie, daar hoef ik me geen zorgen meer in te maken.”  Foto: Bernadette Vandevelde

DE FAMILIE BERNADETTE: Charles Wyckaert (°1938)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Charles Wyckaert, die zich samen met onder meer zijn echtgenote, Jeanine Hoogstoel, een leven lang heeft ingezet voor de Dekenij Bernadette.Een toevallige liefde bracht de jonge Charles in 1957 naar de Bernadettewijk. En zoals dat wel vaker gaat, bleef hij er levenslang plakken. Vandaag is Charles Wyckaert nog altijd een klinkende naam in de wijk en wordt hij vaak en niet onterecht, in één adem genoemd met de Dekenij Bernadette. Met een half leven inzet op de teller, blikt Charles tevreden terug op de vele initiatieven en sociale acties die hij mee op gang trok. De samenhang en solidariteit tussen de mensen die er zovele jaren bestond, was zo waardevol en uniek, beseft hij als geen ander. Charles groeide op in een beluik aan de Regattenlaan. 1957 werd voor de toen 19-jarige beroeps onderofficier bij het leger een mijlpaal. In dat jaar ontmoette hij immers Astrid Hooghstoel tijdens een avondje uit in een danscafé aan de Keizerpoort. Haar ouders, Gustaaf Hooghstoel en Augusta Bovendaerde, waren echte Bernadettes, dus leek een overstap naar Bernadettewijk een logische stap. De rest is geschiedenis. In april 1961 geven Charles en Astrid elkaar het ja-woord en vestigen ze zich in de Sint-Bernadettestraat, de zogenaamde voorstraat waar ze uiteindelijk gedurende bijna 60 jaar lang op twee verschillende plaatsen zullen wonen, tot 2020. Vroeger kende de wijk heel wat kleine buurtwinkels en wel zeven cafés. Zo was er De Wachtzaal, de Bellevue, De Swing en café Neptune, waar je in een achterzaal het boogschieten in liggende wip kon beoefenen. En uiteraard ook de Nova, waar je naast de ingang een heuse cinema had. Charles: “Een film speelde toen meerdere weken en trok veel volk uit de wijk. Zo herinner ik me nog levendig de western ‘De gemaskerde wreker’.“ Het was de tijd dat er ook wijkkoersen voor liefhebbers werden ingericht, waarvan er zelfs één werd gewonnen door Edgard Wyckaert, een broer van Charles.Een leven lang alles geven voor de dekenijStilzitten is een werkwoord dat in de dictionaire van Charles Wyckaert niet voorkomt. Dat was van meet af aan duidelijk. Amper 20 jaar oud stak Charles al een handje toe bij de gebuurtefeesten, die toen nog werden georganiseerd onder het voorzitterschap van Gustaaf Hooghstoel. De schoonouders van Charles hadden die dekenij, toen nog onder de naam ‘gebuurtebond’, zelf gesticht in 1946. De toen amper 12-jarige dochter Astrid hielp al volop mee. Gustaaf bleef voorzitter tot zijn overlijden in 1975. En de liefde voor de dekenij is gebleven. Toen de Dekenij Bernadette er eind 2020 definitief een punt achter zette, had Charles er maar liefst 62 actieve jaren op zitten, zijn Astrid zelfs 74 jaar. Daarnaast zette hij zich ook in voor het schoolbestuur van de lokale school, samen met Gust De Regge. In 1983 werd Charles Wyckaert benoemd tot voorzitter van de dekenij. Tussen 1985 en 2020 was hij  er deken, een eretitel. De laatste 15 jaar werd hij daarbij bijgestaan door dekenin, Marina De Poortere. Zij richtte samen met haar man een maandelijks eetfestijn in voor 80 tot 100 personen en verzorgde het secretariaatswerk. En zo waren er nog tal van stille medewerkers. Charles: “Onze dekenij heeft al die jaren zoveel activiteiten en werkingen opgezet. We hadden bij voorbeeld ook een kaartmaatschappij, een teerlingmaatschappij, enzovoort. Die werden allemaal draaiende gehouden door een grote groep aan vrijwilligers die het beste van zichzelf gaven. Zij verdienen een grote pluim.”Daarnaast was Charles 27 jaar lang protocolchef van de eredekenij. En ook zijn voorganger, Jules de Bleye, tussen 1975 en 1983 voorzitter van de dekenij, was een geliefd persoon in de Bernadettewijk. Uitzonderlijk werd hij in augustus 1983 op zijn sterfbed nog tot deken benoemd, door opperdeken Gerard Mortier en schepen Paula Mortier, een uniek gebaar. Op 14 november van datzelfde jaar zou Jules de Bleye overlijden. Vanaf 1985 nam Charles de fakkel voor lange tijd over. De reuzen en hun zeven kinderen van de Bernadette“De dekenijfeesten van weleer waren van een nog heel andere orde dan tijdens de laatste jaren”, steekt Charles van wal. “Neem nu in het beginjaar 1946. Toen was dat hier een heuse wijkkermis met disciplines, zoals mastklimmen, mastellen-met-stroop bijten zonder handen of ‘blokjes vegen’: zo met een borstel een blokje om ter snelst verplaatsen. Het parcours liep toen ook doorheen de tuinwijk.”In 1980 liet de Bernadettewijk, naar aanleiding van 150 jaar België 2 reuzen maken: Margriet en Bernard. De poppen waren van de hand van de plaatselijke kunstenaar Leon De Keukelaere en de kledij, goed voor 20 m² stof, was bijeen gestikt door Charles echtgenote, Astrid. Charles: “Had het eens goed geregend, dan woog zo’n reus van 3 meter hoog al rap zo’n 35 kilogram. Het huwelijk van het reuzenkoppel werd ingezegend door gewezen Gentse schepen, Paula Mortier. En ze kregen samen maar liefst 7 kinderen, onder de vorm van reuzenkoppen die in de stoet, op een schotel werden gedragen door plaatselijke kinderen. Iedere reus had ook een naam en een meter of peter in de wijk. Deze reuzenkoppen werden later geschonken aan het heemkundig museum van Wondelgem. Toen het vorstenpaar in 1980 plaatsnam op het Sint-Pietersplein in Gent naar aanleiding van de festiviteiten van 150 jaar bestaan van België, stapten de Bernadettes mee in de reuzenstoet.De jaarlijkse dekenijfeesten vonden plaats tijdens het laatste weekend van augustus. Met een stoet op zondag, begeleid door een zestal praalwagens en drie muziekgroepen. Met de majorettes op kop trok de stoet zo’n 250 man mee door de straten van de wijk. Naar aanleiding van 50 jaar werking werd in 1996 een aanvraag ingediend tot omvorming van de Gebuurtebond tot de Koninklijke Dekenij Bernadette, wat in 1997 uiteindelijk effectief gebeurde.Sociale dekenij“De dekenij hier is altijd een sociale dekenij geweest”, benadruk Charles, die zelf als kind vaak op zwart zaad zat. “Zo hebben we zeker veertig jaar lang voedselbedeling georganiseerd, ook voor niet-leden. Vergeet niet dat de Bernadettewijk altijd diep rood gekleurd was. Er woonden hier ook veel dokwerkers.” Maar zelfs een legendarische pastoor als Dries Morel bleek een progressieve man met een sociaal hart. Andere sociale activiteiten die de dekenij op zich nam, waren het uitdelen van sint- en kerstpakketten voor kinderen, ouderen en mensen met een beperking in de wijk en het voorzien van paaseieren voor leden. Ook de jaarlijkse rommelmarkt kon altijd op veel bijval rekenen. “Tijdens de hoogdagen telde onze dekenij maar liefst 250 betalende ledengezinnen en draaiden we een jaaromzet van 35.000 euro”, benadrukt Charles vol trots.  De dekenij organiseerde maar liefst 9 maal per jaar een maaltijd in zaal Nova aan traiteurprijs, om zoveel mogelijk mensen mee te laten genieten. Dat alles maakt dat de dekenij wel meermaals genoemd werd als schoolvoorbeeld in Gent. Op 4 maart 2020 vond de allerlaatste activiteit plaats van de dekenij, waarna het doek viel over een lange geschiedenis. Op dat moment waren Charles en Astrid respectievelijk 82 en 86 jaar oud. De solidariteit die deze periode kenmerkte, ziet Charles nog niet snel terugkeren. “Een aantal organisaties en verenigingen deden het sociale leven hier in de wijk echt draaien”, vertelt hij. “Zo waren er maar liefst drie voetbalploegen, de scouts, een vereniging van duivenhouders, de jeugdclub Evolution, enzovoort. De grote zorg die de mensen voor elkaar hadden, ondanks de vele armoede, was zo typerend voor de Bernadettewijk. Vergeten we niet dat hier in de tuinwijk heel grote gezinnen leefden, zoals de familie Wiels, Vanneste, Van de Sompel,… Toch heel bijzonder!”De recente afbraak van de tuinwijk zag Charles met lede ogen aan. Zeker het uitwaaieren van de Bernadettes naar alle uithoeken doet hem tot vandaag veel pijn. Maar zijn hoofd en hart vol herinneringen pakken ze hem nooit meer af.Foto: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Nasuh Kurudere

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Nasuh Kurudere, die dankzij het voetbal zich opgenomen wist in de Bernadette-gemeenschap.Nasuh vertelt ons nog altijd even gepassioneerd over zijn tijd hier in de Bernadettewijk. Hoe hij hier zo goed is opgevangen toen hij hier aankwam als allochtone jongen die amper Nederlands sprak. Hij is hier uitgegroeid tot een echte Gentenaar en heeft hier vrienden voor het leven gemaakt. “Ik ben de mensen uit de Bernadettewijk nog altijd enorm dankbaar dat ze mij hier zo goed hebben opgevangen.”Alles begon toen een oom van  Nasuh vanuit Turkije naar Gent immigreerde om daar te werken en zijn familie in Turkije zo te kunnen ondersteunen. Gaandeweg bouwde hij hier een leven op, trouwde en kreeg kinderen. Op dat moment kon hij zijn familie in Turkije niet langer onderhouden, dus vroeg hij Nasuhs vader, Sakir, om ook naar hier te komen. Zo belandde Sakir in de Gentse Huidevettersstraat bij vrienden. Daarna kwam de rest van Sakirs gezin over. Vrienden en voetballen in de BernadettewijkNasuh: “Ik was de jongste van het gezin. Tussen 1976 en 1977 kwam ik hier toe, amper 1 of 2 jaar oud. Tot mijn 9 jaar woonde ons gezin in de Karel Mirystraat nummer 2. Al die tijd ging ik in de Sleepstraat naar school. Die was bijna volledig Turks, daar zaten maar een paar Belgen. Mijn Nederlands bleef daardoor ondermaats.” In 1984 verhuisde Nasuh met zijn gezin naar de Sint-Bernadettestraat nummer 9. “Daar ging een hele nieuwe wereld voor mij open”, getuigt Nasuh.In het 3de leerjaar kwam Nasuh terecht in het schooltje in de Bernadettewijk, bij juffrouw Michelle. Nasuh: “Ik had een serieuze achterstand, mijn Nederlands was heel slecht. Maar ik werd hier met open armen ontvangen. Ik heb hier meteen vrienden kunnen maken, zij gingen allemaal voetballen aan de overkant van de straat. Omdat ik zelf dolgraag voetbalde, volgde ik al snel hun voorbeeld en liet ik mij daar ook inschrijven.”Whitestar: 1 grote familie“De mooiste dag van mijn leven was toen ik mocht beginnen voetballen bij SC Whitestar”, vertelt Nasuh met een glimlach. “Ik was daar content en werd er aanvaard , die ploeg was echt één grote familie. Toen was het ook nog zo dat, eens je je bij een bepaalde voetbalclub inschreef, je daar heel je carrière bleef. Elke dag was ik daar te vinden, nooit heb ik een training gemist. Ik moest gewoon de straat oversteken (lacht). Ik ben daar gebleven tot de kantine op een dag is omgewaaid. Dat zat zo: eind jaren ‘80 werd de toenmalige kantine door een hevige storm met de grond gelijkgemaakt. “Dat was een groot drama toen, de club was hierdoor helemaal ontregeld”, herinnert Nasuh zich. “Dan zijn we onze wedstrijden gaan spelen in de Offerlaan, waar we een paar jaar zijn gebleven. De club is toen jammer genoeg op de sukkel geraakt, mede door een aantal onbekwame voorzitters. Daarna is er zelfs fraude bij komen kijken. Gelukkig heb ik de gouden jaren van de club nog mogen meemaken.” In de jaren zeventig schopte Nasuh het tot basisspeler in de eerste ploeg. Nasuhs ogen gingen open. Met zijn grote broers voetballen was altijd al zijn grote droom geweest. Al heeft dat niet lang mogen duren en had Nasuh op nog veel meer jaren gehoopt. ‘t BierfonteintjeNasuh: “Iedereen uit de Bernadettewijk trok naar café Bierfonteintje, van de melkboer tot de wijkagent. Om 9 uur ‘s ochtends stonden de stamgasten daar al voor de deur. Dan deed Jacqueline, de eigenares, open. Elke vrijdagavond werd er biljart gespeeld en iedereen trakteerde elkaar daar. Je kon er gemakkelijk dronken worden zonder een frank te hebben bovengehaald. Ik heb daar zelfs Gents leren praten”, lacht Nasuh.De eigenaar, Fons Verkimpen, woonde aan de achterkant van het café en was een fervente liefhebber van de duivensport. “Die discipline was voor mij heel nieuw, hoe dat allemaal echte kampioenen waren die duiven. De zoon van Fons schopte het zelfs tot kampioen duivenmelker. Achteraf bleek dan dat ze die duiven doping hadden gegeven. Toen zijn ze daar binnengevallen en hebben ze daar staaltjes van de uitwerpselen van die dieren meegenomen”, vertelt Nasuh geamuseerd.Frankie“Alles in de Bernadettewijk was gelinkt aan elkaar: het voetbal, de cafés, het schooltje”, weet Nasuh. “Franky Verschelden is een naam dat mij altijd is bijgebleven”, lacht Nasuh. “Hij was echt een voetbaltalent. Wanneer we tijdens een wedstrijd achter stonden, riepen we Franky ter hulp. Hij was dan aan het kaarten en pinten aan het drinken in het café tegenover het voetbalplein. Franky stoof dan het veld op, maakte vlug een paar goals, zodat we weer even voort konden.” EvolutionIn het jeugdhuis Evolution, naast café Nova en in de fuifzaal erachter hielden Nasuh en zijn vrienden fuiven. Die konden wel eens uitlopen. “Eén keer na zo’n fuif ben ik zelfs wakker geworden midden in de wei hierachter”, lacht hij. “Het was ochtend toen ik mijn ogen opendeed en stond er oog in oog met een koe. Dat waren nog al eens fuiven toen.”SchooltjeNasuh betreurt dat de wijk zal worden afgebroken. Heel zijn jeugd speelde zich hier af. Dat het schooltje mag blijven staan en zelfs uitbreiding krijgt, doet hem wel zichtbaar deugd. Nasuh: “Ik weet nog dat toen ik hier aankwam, mij een turnzak en een zwemzak werd gegeven. Ik dacht toen: ‘Amai, ik ben hier in een rijke school beland’. Ja, ik vond dat toch de max.” Portret: Sam

DE FAMILIE BERNADETTE: Michaël Baza (°1969)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Michaël Baza, kind uit een groot Frans-Algerijns nest, maar vooral ook kind van de Bernadettewijk, opgetekend door Raconteur Robin Zenner.Michaël woont al zo’n 45 jaar onafgebroken in de Bernadettewijk. Midden jaren 1970 verhuisde hij als zevenjarig jongentje met zijn gezin naar de wijk en is er nooit meer weggegaan. Het is dan ook met veel spijt dat hij, als een van de laatste inwoners, begin 2022 zijn koffers pakte.IntegratieNochtans verliep de integratie initieel niet zonder slag of stoot, herinnert Michaël zich. Als kinderen van een Algerijnse vader en Franse moeder hadden hij en zijn 3 broers en zus het in die beginjaren niet gemakkelijk. Ze waren de eerste familie van vreemde origine in de wijk en werden best wantrouwig bekeken. Achteraf kan Michaël er wel om lachen. “We werden al eens uitgedaagd en soms werd er zelfs gevochten. Op die manier heb ik Mario, nog altijd mijn beste vriend, tijdens een (onschuldige) vechtpartij leren kennen.” Ook Michaëls vader, Abdullah Baza, moest zich in die eerste jaren extra hard bewijzen. Trots toont Michaël ons enkele arbeidskaarten van zijn vader. "In die tijd kregen mensen van vreemde origine niet zomaar een verblijfsvergunning; je diende aan te tonen dat je al minstens 5 jaar in België werkte. Mijn vader heeft vele jaren gewerkt als meestergast in meerdere Gentse textielfabrieken: bij Fabelta in Zwijnaarde, in een textielfabriek aan de Nieuwevaart en tot slot bij Alsberge-Van Oost. Dankzij zijn goede band met de secretaris-generaal kwam hij in aanmerking voor een sociale woning in de Bernadettewijk.”De kracht van een exotische keukenTerwijl zijn vader door hard te werken het vertrouwen van de Bernadettegemeenschap won, waren het de kookkunsten van mama Baza die andere families in de wijk overstag deden gaan. “Vroeger liet iedereen in de wijk zijn deur gewoon open staan, de mensen kwamen constant bij elkaar over de vloer. De exotische geuren van de Algerijns-Franse keuken van mijn moeder maakten velen nieuwsgierig. Iedereen kwam na verloop van tijd wel eens piepen en uiteindelijk mee-eten”, glundert Michaël nog steeds na. “De eerste tien jaar dat we er woonden, waren we de enige familie van vreemde origine in de wijk. Maar doordat we al snel even plat Gents spraken als de rest van de Bernadettes, was onze huidskleur na verloop van tijd geen issue meer.” Midden jaren ’80 kwam er een nieuwe generatie Turken en Marokkanen in de Bernadettewijk wonen. “Mijn vader maakte de nieuwkomers wegwijs in de wijk. Velen werkten ook in de Gentse textielfabrieken, onder de leiding van Michaëls vader. “De Belgen wilden niet langer het vuile werk in de textielfabriek uitvoeren”, zegt Michaël daarover. HuisvestingLater zijn er nog drie kinderen geboren, waardoor het gezin Baza in totaal met zo’n tienen in een klein tuinwijkhuisje woonde. “Dat was best gezellig, zo tupe tegoare. De vijf jongens in een slaapkamer en de 3 meisjes in een andere.” We hadden nog geluk dat we een badkamer hadden. Sommigen huisjes hadden geen badkamer en de mensen gingen zich dan gaan wassen in de school, naast ons huis. Elk huisje had in die tijd ook een waterput en een kelder”, herinnert Michaël zich. Vrije tijdIn het Novacentrum werden er geregeld activiteiten georganiseerd voor jong en oud. De dekenij speelde hier een belangrijke rol in. Samen met de Rode Valken organiseerde ze kampen voor de kinderen van de wijk. Michaël: “Eerst ging ik mee als lid en later ook als leider. Ik herinner me nog enkele toffe kampen in de zomervakantie in Durbuy. Ik had ook enkele kameraden in de majorettegroep van de wijk. Zij traden onder meer op tijdens de jaarlijkse kermis in de zomer op het voetbalveld.”Familiegevoel“De Bernadettewijk bestond uit verschillende grote families die de boel bijeen wisten te houden”, licht Michaël toe. Zo waren er de families de Smul, Van de Sompel, Verschueren, Reynebeau,… In feite was heel de wijk ook één grote familie. Iedereen kende iedereen en we hielpen elkaar door dik en dun. Had iemand plots opvang nodig voor de kinderen, ontbrak je tijdens het koken een bepaald ingrediënt of moesten de kinderen ergens heen worden gevoerd? Hier kon je altijd op een van je buren rekenen.” Tegelijk beseft Michaël dat een hechte burengemeenschap geen evidentie is. “Zoiets bouw je niet zomaar opnieuw op. Daarom vind ik het echt spijtig dat iedereen hier moet verhuizen. In plaats van de mensen samen te brengen worden ze uit elkaar gedreven. Het sociale contact met de anderen ga ik echt missen.”Portret: Bernadette Vandevelde

DE FAMILIE BERNADETTE: Martine De Regge (°1957)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Martine De Regge, voormalig Gents schepen en kind van de sociale tuinwijk Sint-Bernadette, opgetekend door Raconteur Arthur Carton.Martine De Regge is sinds 2022 met pensioen. Als kind van de Bernadettewijk wist ze het te schoppen tot Gents schepen, met diverse bevoegdheden. De Gentenaren kennen haar als een geëngageerd medemens, terwijl heel wat oudere Bernadettes zich haar wellicht herinneren als voormalige klasgenoot uit de lagere school of als speelkameraad van op straat. Martine kwam als derde kind in een reeks van vijf in een gezin waar het sociaal engagement met de paplepel werd meegegeven. Tijdens haar kinder- en tienerjaren verhuisde ze maar liefst driemaal, telkens binnen de Bernadettewijk. Sommige takken in haar familieboom reiken zelfs tot 4 generaties ver in deze wijk. Dat maak Martine tot een Bernadette pur sang.Tijdens de rondleiding door de stedelijke basisschool Het Tandwiel, in het hart van de wijk, haalt Martine een heleboel herinneringen op. Ze maakt daarbij gretig gebruik van een persoonlijk archief aan foto’s en documenten. In haar ogen vormde de school een van de belangrijkste draaischijven van de Bernadettewijk. Noem het gerust een brede school avant-la-lettre. De groei van familie De ReggeMartine heeft zowat haar hele jeugd in de Bernadettewijk gewoond en ook haar beide ouders groeiden hier op.Martine: “De kwaliteit van de huizen en de verbondenheid met de familie, de buurt en haar bewoners deden ons besluiten om hier te blijven. Mijn broer Tony is hier lang aan de voorstraat blijven wonen, dicht bij Café Neptune en ook mijn oudste broer, Eric, bleef er met zijn zoon nog een tijd wonen.” Vlak na het huwelijk van Martine haar ouders, trok het gezin De Regge met de drie kinderen bij de bompa in. Rond 1960 verhuisde het gezin een eindje verder in de Sint-Bernadettestraat. Martine: “Mijn ma verwachtte toen immers haar vierde kind, mijn broer Tony. Het huis van bompa was daarmee te klein geworden. Dat was er eentje te veel die voor drukte ging zorgen, vond hij (lacht).”Maar zelfs daar barstte het typische Bernadettehuisje al snel uit zijn voegen. Met ondertussen een vijfde kind erbij, bouwde Martines pa een veranda aan het huis, met het oog op wat meer leefruimte. “En zelfs dan bleef het heel krap”, herinnert Martine zich. “Die aanbouw werd dan de keuken, want het ‘schotelhuis’ was veel te klein voor de was en de plas van het 7-koppige huishouden! Niks was evident, maar we deden de boel draaien.” Op zaterdag naar school voor een stortbadNet zoals zovele Bernadettes trok ook het gezin De Regge op zaterdag naar de school voor het nemen van een stortbad. De school had een heel badhuis aangelegd, omdat de huizen in de wijk geen eigen badkamer hadden. Martine: “Dat was een heel sociaal gebeuren. Je kwam daar altijd de kinderen van de andere grote gezinnen tegen. En dat douchen kostte twee keer niets. Dat kon ook niet anders, want bij velen was het enkel de vader die toen voor een inkomen zorgde.”“De mensen zaten hele dagen buiten in hun voortuintje en iedereen sprak met iedereen”, vertelt Martine. Toch bleek het onderhoud van die voortuintjes een discussiepunt: kwam dat de bewoners of de huisvestingsmaatschappij toe? Die onduidelijkheid leidde tot heel wat willekeur: het ene gezin deed dat wel, het andere niet. Dat kon nogal lelijk uitvallen”, lacht Martine. Het gevolg was dat de voortuintjes met de renovatie van de woningen en de heraanleg van de straten, halfweg de jaren 70 voorgoed verdwenen.” Eindelijk een eigen slaapkamerBij die grootschalige renovatiebeweging in de wijk kreeg elke woning een eigen badkamer. Martine verhuisde toen, met haar moeder, Emilienne en haar 2 jongere broers naar de voorstraat van de wijk, recht tegenover de bakker. “Het was het eerste huis in de wijk met een keuken, die naam waardig, en een eigen badkamer in een nieuwe aanbouw” , herinnert Martine zich. “Plots beschikte ieder gezin over een ligbad, stel je voor. En voor het eerst beschikte ik, op mijn 18de, over een slaapkamer voor mezelf. Tot dan deelde ik een slaapkamer met mijn twee jongste broers. Dat was niet evident om te studeren: dat gebeurde dan op de kamer van mijn ouders, tot zij gingen slapen en ik dan maar naar beneden verkaste.”Martine ziet gelijkenissen met de ruimteproblemen die grote gezinnen ervaarden tijdens de coronaperiode: “De situatie tijdens de lockdown was soms schrijnend, zeker voor gezinnen zonder buitenruimte. Wij hadden in de tijd gelukkig nog ons tuintje, en een zalige buurt om buiten te spelen. Het was toen ook zo veel gemakkelijker, geen tv of computer die je binnen hield en maar weinig auto’s die je van de straat weerden.” Buiten spelen = leren samenlevenAlle kinderen van de wijk vertoefden hele dagen buiten. Dankzij de grote gezinnen waren er ook altijd genoeg speelkameraadjes om samen mee op avontuur te trekken. Zoals bijvoorbeeld Martine haar overburen, de familie Wiels, een nest met wel 12 kinderen. “Wat we zoal deden, als kind?”, vraagt Martine zich luidop af. “Rolschaatsen, kikkers en salamanders vangen in de gracht, samen naar Lourdes fietsen om er in de grotten verstoppertje te spelen, ravotten aan het treinstation van Oostakker, enzovoort.”De sociale Bernadettewijk was op dat vlak ook verdraagzaam en geduldig. Achter restaurant Ter Toren stond achterin de wijk de houten barak van ‘bompa Pycke’. Die hield daar duiven. Voor De kinderen van de wijk werd het braakliggende terrein een vaste stek om te spelen. “Het was eigenlijk verboden terrein voor ons, maar dat werd door de vingers gezien. Want ja, welk kind heeft er niet gespeeld op plaatsen waar het niet mocht?”Martine leerde er als jong meisje dat problemen het best opgelost worden met begrip.Naarmate ze ouder werden, trokken de kinderen meer weg uit de wijk, richting stadscentrum. Zo ging Martine vanaf haar 12de elke week zwemmen met haar vriendinnen. Geen enkel Gents zwembad is haar vreemd. Martine: “Het vaakst trokken we naar de Van Eyck. Ze hebben daar nog altijd publieke ligbaden, zoals vroeger.” Een wijk in tweestrijdOp de vraag of de wijk socialistisch gezind was, antwoordt Martine resoluut: “Jazeker, de Bernadette was opvallend rood gekleurd, net als ik. Er is wel altijd sprake geweest van een tweestrijd tussen de socialisten en de katholieken.” De wijk, met een heilige in de naamgeving, zag vaak stoeten en processies passeren richting bedevaartsoord Lourdes: Martine: “Als het een stoet van de katholieken betrof, stonden sommige Bernadettes gegarandeerd aan hun voordeur met gebalde vuist in de lucht.”Omgekeerd gold het evenzeer: In de Nova, het katholieke centrum in de Sint-Bernadettestraat, werd ook van alles georganiseerd. “Maar daar trokken wij niet vaak naartoe, omdat we er ons niet welkom voelden. Er werd in zekere zin wat neergekeken op het volk uit de sociale woonwijk.”De Bernadettewijk telde destijds meer dan genoeg cafés, waaronder Bierfonteintje, de Neptune, de Nova en De Wachtzaal. Naar de ene gingen de rooien, naar de andere de katholieken. “Er woonden zware kalibers in de wijk, beruchte families die ferm wat konden verzetten,” getuigt Martine. Dat maakte dat de Bernadettes een zware reputatie kenden, een beetje zoals het volk uit de Brugse Poort.”Indertijd waren er ook veel familievetes, weet Martine. “Families van elders kwamen dan ruziemaken in de Bernadettewijk, op café en zelfs op de feesten van het schoolcomité. Niemand keek daar toen van op.” Naar een school met een dubbele entréeWat volgens Martine nauwelijks onderschat kan worden, is de rol van de stadsschool in de wijk. Martine: “Vroeger heette die school gewoon ‘Stadsschool Bernadettestraat’, nu gekend als ‘Het Tandwiel’. Het belang van goed onderwijs werd door het schoolcomité, waar de De Regges prominent deel van uitmaakten, hoog in het vaandel gedragen. Een missie die zich vertaalde naar de hele wijk.Martine trok, zoals veel speelkameraadjes uit de wijk, naar de stadsschool. Die stond met haar toegang gericht naar de wijk. “Die oriëntatie vormde voor heel wat mensen van buiten de wijkpoorten een grote symbolische drempel.Ook de schoolplicht, die in die tijd slechts tot 14 jaar gold, droeg bij aan de slechte reputatie van de school, beweert Martine. “Ik heb nog in de klas gezeten met gasten van 14 jaar. In het zesde studiejaar! Zij deden dat jaar gewoon drie keer opnieuw, en gingen daarna uit werken in plaats van naar het middelbaar.”Het zorgde ervoor dat de gezinnen die net buiten de wijk woonden hun kinderen veel sneller naar elders stuurden, zoals naar de rijksschool in Sint-Amandsberg, ook al was dat een eind verder.Met de verbouwingen van de school Het Tandwiel is een nieuwe hoofdingang voorzien aan wat vroeger de de achterkant was. “Een grote meerwaarde die al veel eerder had moeten doorgevoerd zijn,” zegt Martine opgelucht.“ Beide ingangen moeten behouden worden, zodat de school zich openstelt voor mensen van binnen én buiten de wijk.” Mijn pa zou heel content zijn mocht hij dit vandaag nog mogen hebben meemaken!” Brede School avant-la-lettre Martines grootvader, Maurice De Regge, heeft via het schoolcomité veel gedaan voor de school. Hij geloofde in het stedelijk onderwijs en de kwaliteit ervan en was doordrongen van het belang van goed onderwijs als basis voor een goede toekomst voor de kinderen. Martine: “Hij zette zich voor deze zaak in, samen met mensen die in de vakbond en in de toenmalige BSP (Belgische Socialistische Partij) actief waren.” Ze toont ons zijn herdenkingskaartje, waarop vermeld staat: ‘Het welzijn van het kind lag hem zeer na aan het hart.’De stadsschool vormde een soort experiment waar het schoolcomité zich serieus voor engageerde. Het was een prototype brede school avant-la-lettre, waar heel wat buitenschoolse activiteiten plaatsvonden, goed voor het versterken van de sociale contacten in de wijk.Martine: “Er werd hier veel meer gedaan dan enkel les geven. Zo had je op woensdagavond turnles, gegeven door socialistisch vakbondslid Achilles Van Heyste. Die woonde op Lourdes, maar stuurde zijn kinderen toch hier naar school. Ik turnde hier met veel andere kindjes uit de wijk en onze vereniging vormde een mooie toevoeging aan de jaarlijkse 1 mei-optocht. Het was een socialistische turnclub, die haar stek had in de school. Daar ging de school prat op: iedereen die een aanvraag indiende om het schoolgebouw te gebruiken voor welke activiteit dan ook, was meer dan welkom.Op zondagochtend was er Franse les. “Dat was bij meneer De Rie”, vertelt Martine. “Die mens zal ik nooit vergeten. Ook al woonde hij al die jaren in de verderop gelegen Scheepslossersstraat, iedere zondagochtend kwam hij hier op vrijwillige basis Franse les geven, wat heel wat kinderen aantrok. Ik heb er zelf mijn talenkennis aan te danken, wat mij doorheen mijn leven al serieus van pas is gekomen.”Ook de mama’s bleven niet bij de pakken zitten. Zo organiseerden de Socialistisch Vooruitziende Vrouwen (SVV) ’s avonds naailessen. Martine: “Dat was erg nuttig. Niet alleen viel het zelf maken van eigen kledij veel goedkoper uit dan kleren kopen, maar ook konden de vrouwen uit de wijk zich zo emanciperen. In plaats van altijd thuis te zitten, kregen ze nu de gelegenheid om elkaar op te zoeken”, zegt Martine. “Mijn mama zat daar ook bij. Ze naaide er kleren voor het hele gezin, zelfs voor mijn poppen.” Iedereen droeg dus mooie, zelfgemaakte kleren. De SVV stonden ook in voor de carnavalkostuums. De naailessen wierpen duidelijk hun vruchten af. Martines foto’s zijn daar het bewijs van. Martine: “Kijk, hier, eentje met directeur De Vos. Zie ze stralen! Ze paradeerden trots door de wijk in hun mooie, zelfgemaakte kleren.” De school als kloppend hart van de wijkEn de vele foto’s vertellen hun verhaal. Martine toont ons het allereerste schoolcomité van de Gentse stadsscholen, opgericht in de Bernadetteschool. Mijn opa Maurice was daar zeer nauw bij betrokken. Die stond heel erg achter het officieel onderwijs. Voor de vrijzinnige gezinnen was dat belangrijk: dat er gekozen kon worden tussen de les godsdienst en de les zedenleer.”Ook enkele nonkels van Martine bleken erg actief betrokken bij de school. Zo was nonkel Georges er geluidstechnieker. Leo Martin kwam hier ieder jaar optreden met zijn orkest, waar ook de Gentse jazzmuzikant Bert Joris deel van uitmaakte. Zelfs Koen Crucke, toen nog maar 15 jaar, heeft hier nog op de planken gestaan. Die kon schoon zingen.”Naast de optredens waren er ook muzieklessen, maar daar kan Martine, wegens haar karig muzikaal talent, weinig over vertellen. “Wel organiseerde ik mee de muziekquiz, naar het voorbeeld van een destijds heel populaire muziekquiz op tv.”De familie De Regge speelde ook altijd een rol in de toneelopvoeringen in de grote zaal van de school. De toneelvereniging, die heel wat Bernadettebewoners tot haar leden mocht rekenen, droeg een toen typisch socialistische naam: Naar Beter Streven. “Zo bracht het schoolcomité een beetje cultuur naar de wijk, ook al was dat vooral het populaire genre.Het schoolcomité bracht met zijn vele activiteiten leven in de wijk. Zo was er de jaarlijkse Vlaamse foor. Martine: “Die duurde hier een heel weekend; de speelkoer van de school stond dan vol met kraampjes: schietkramen, eendjes vissen, je kent dat wel. In de grote zaal was er cafetaria en er was ook altijd een tombola, met een waardevolle hoofdprijs en goedkope lotjes.”Iedere maand werd tweemaal op vrijdagavond de grote zaal van de stadsschool omgetoverd tot een bioscoop. “De opbrengst van de entrée volstond net om de huur van de film te bekostigen”, herinnert Martine zich. “De winst op de verkoop van de drankjes en de lotenverkoop tijdens al die activiteiten diende voor de aankoop van Sinterklaasgeschenken voor de kinderen, de organisatie van het carnaval of naar de Paasfeesten.”En dat er gefeest werd in de school! Martine: “Onze zaal was een polyvalente zaal in de volle betekenis van het woord. Carnaval, Pasen, het Sinterklaasfeest… Volk dat daar op afkwam! ‘k Heb er allemaal foto’s van, zelf nog uit de jaren 40.” Op die foto’s valt te zien hoe groot en goed geëquipeerd dat allemaal was. Zoals het professioneel ogende toneelpodium, met op de bühne een luik naar de kelder, zware gordijnen, coulissen, lichtspots met bediening,…Martines ouders bleven hier nog heel lang actief in het schoolcomité, haar vader als secretaris. Martine: ”Ze bleven er plakken lang nadat hun kroost de schoolbanken had verlaten. Een engagement dat vele families uit de wijk kenmerkt. Zelf herinner ik mij de families De Roose, Vandesompel, De Smet, De Blije, …“Ikzelf zat ook jaren in dat comité en heb helaas zo de leegloop van de school meegemaakt. Naarmate de kinderen opgroeiden, kwamen er steeds minder leerlingen naar de school. Het nut van buitenschoolse activiteiten slonk daardoor zienderogen.”Martine herinnert zich de school als een sociale en socialistische draaischijf, en dat heeft ze allemaal te danken aan het engagement van mensen als directeur De Vos. “Veel van de kinderen uit de Bernadettewijk moesten het stellen met maar weinig kansen. De missie om daar verandering in te brengen, werd door iedereen gedragen. Zelfs de poetsvrouwen bleven enkele uurtjes langer, om dan te helpen met de opkuis.”Op een foto uit 1943 gunt Martine ons tot slot een blik op de klas van haar ma. Ze merkt dat de school doorheen de jaren niet veel is veranderd: “De school werd in dezelfde periode als de huizen gebouwd, begin jaren 1920. De hele wijk werd in één beweging opgebouwd. Helaas gaat ze ook in één beweging tegen de vlakte, het protest van de Bernadettes ten spijt… Maar er staat wel een nieuwe school!Foto: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: André De Maesschalck (°1942) en Agnes Braeckman (°1947)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van het echtpaar André en Agnes van de voormalige zuivelwinkel aan de Sint-Bernadettestraat. Toen André De Maesschalck in 2002 zijn laatste melkronde reed in de Bernadettewijk, had hij er maar liefst 46 jaar trouwe dienst op zitten. Intussen had zijn echtgenote, Agnes, 33 jaar lang de zuivelwinkel aan de Sint-Bernadettestraat opengehouden. Het was een harde stiel, met in het begin geen wekelijkse rustdag en met zware gewichten om te torsen. Intussen geniet het koppel ruim twintig jaar van een welverdiende rust aan hun voorstraat. “De buurtwinkels van vandaag hebben het ook niet gemakkelijk”, beseffen André en Agnès. André heeft een hele loopbaan met melk gezeuld. Nochtans droomde André als kind van een andere carrière, die van, automecanicien. Al van zijn negen jaar reed hij rond met de auto. In die tijd werd dat nog door de vingers gezien.7 dagen op 7 met paard en kar op melkrondeIn november 1944, kwam de toen 2-jarige André De Maesschalck met zijn ouders, Aloïs en Gaby, en zijn twee zussen in de Bernadettewijk wonen. Zijn vader, een melkventer, had zijn boerderij verkocht en de melkwinkel in de Sint-Bernadettestraat overgenomen. Met paard en kar bracht hij melk, boter en eieren rond in een gebied dat zich uitstrekte van de kerk van Sint-Amandsberg tot Lourdes. De Sint-Bernadettewijk maakte daar deel van uit. Het paard, dat een vaste plaats achteraan de woning kreeg, bezorgde de vader van André flink wat boetes. “Het dier had het niet zo begrepen op de sporen in de Vliegtuinlaan”, lacht André. “Het koos daar altijd voor het trottoir, wat makkelijker stapte, maar wel verboden was.” Al van kleins af aan, hielp André zijn vader mee. “In het begin sorteerde ik, samen met mijn zussen, de spaarzegels, op kleur”, herinnert André zich nog levendig. “Die zegels waren erg populair bij de vele grote gezinnen, zeker tijdens de oorlogsjaren. Later volgde het zwaardere werk. Eenmaal 14 jaar oud, draaide ik voltijds mee in de zaak. Veel jeugd heb ik dus niet beleefd.” Aanvankelijk gebeurde de melkronde zeven dagen op zeven. Tegen 6.30 uur waren vader en zoon al de baan op. In de jaren ’60 werden paard en kar ingeruild voor een bestelwagen. Naast de vele leveringen aan huis, voorzagen André en zijn vader heel wat Gentse scholen van melk. “We konden daarbij niet rekenen op extra personeel. Het valt niet na te tellen hoeveel gewicht ik al die jaren heb getild. De gepasteuriseerde melk dat van de melkerij kwam, zat in kannen van 40 liter. Die werd bij de mensen overgegoten in hun eigen casserole. Op onze kar pasten 6 zware kannen melk, karnemelk, boter en eieren.” In 1956, André was toen 14 jaar, werd de verplichte rustdag ingevoerd. Dat betekende het einde van hun ronde op zondag. Tot zijn huwelijk in 1968 bleef André op dat adres wonen. Toen hij de ronde overnam van zijn vader, is hij de Bernadettewijk altijd blijven bedienen. Intussen hield zijn echtgenote, Agnès al die jaren de zuivelwinkel aan de voorstraat open. Voorstraat, winkelstraatDe Sint-Bernadettestraat was vroeger een ware winkelstraat, herinnert André zich nog goed. “Je had om te beginnen drie slagers: Dobbelaere, Vervaet en Vanden Eynde. Brood haalden we bij Maurice De Moor of bij De Pauw aan het kerkje. Er was de schoenwinkel van Cyriel Baele, die later getransformeerd werd tot voedingswinkel van familie De Beule. Vervolgens een winkeltje voor drank en rookwaren, de zaak Bij Mathilde, ’t Lindeken van dokwerker Kamiel Swartlé, daarnaast de klerenwinkel van Madeleine Engels, de Nopri, de schrijnwerkerij van Desmet, die naast meubels ook houten speelgoed maakte, de kleermaker André Verbauwen en een stoffenwinkel.”Ook aan de overkant was het een en al bedrijvigheid, herinnert André zich nog levendig: “Daar woonde pastoor Van Nevel en had je het schooltje van de Broeders van Liefde. Daarnaast de kring en cinema Nova en het café Bij Lange Miel. Daarnaast woonde mevrouw Nuytens, de directrice van de stadsschool. Haar zoon was begrafenisondernemer in de straat. Er woonde daar ook een metser, die we George De Voeger noemden. Voorts nog enkele cafés, waaronder dat van Cathy Pauwels. Eigenlijk te veel om op te sommen. Je vond hier zelfs distillerie De Stoop, van het gekende jenevermerk en een stokerij van Vanderlinden.” De Bernadettewijk telde ook een aantal muzikanten, zoals de fluitist, Fred Kople, die optrad in een orkestje, alsook meerdere verdienstelijke accordeonisten. André: “Wist je dat de wijk zelfs tijdelijk een eigen accordeonclub had, waar onder meer Patricia De Beule en Nadia van het kapsalon actief waren?”Grote nesten in kleine huizen“De middenstanders in de wijk kwamen al bij al goed overeen”, weet André. “Voor de meesten was de handel een bijzaak. Terwijl de man uit werken ging, baatte de vrouw de zaak uit. Alleen bij voedingszaak van familie De Beule en die van ons was dat anders. Wij leefden van onze handel, net als de bakkers en slagers.” De mensen hier in de wijk hingen goed aaneen, ook al was er veel armoede. “Dat was soms voelbaar tot in onze winkel”, legt André uit. “Zo kenden we heel wat ‘plakkers’: mensen die op uitstel betaalden of soms helemaal niet. Ze wachtten dan tot ze het kindergeld hadden ontvangen. Heel wat Bernadettes leefden met kroostrijke gezinnen in een kleine woning. Voorbeelden waren de families Pycke, Wiels, Van Neste, Genitello, Allaert,… Eigenlijk was het niet meer dan een bloot huisje. Later hebben ze er die stalletjes bij gebouwd, over het algemeen bedoeld om er een kleine badkamer of keukentje in onder te brengen.”Werken bij het krieken van de dag Het waren voor André en Agnes doorgaans lange werkdagen. “Zeker tot in 1973, toen ons eerste kind werd geboren”, legt André uit. “Drie dagen per week stonden we om 03 uur op, drie dagen om 03.30u en op zondag om 05u.” Agnes bevestigt: “De deur van onze winkel ging iedere dag om 05 uur open. Vergeet niet dat we hier veel werkvolk van Volvo en Sidmar over de vloer kregen. Zij kwamen hier dan voor hun ochtendshift al charcuterie halen voor tussen hun boterham. De mensen hadden vroeger niet zoveel reserve in huis en veel mensen hadden thuis nog geen eigen frigo. Terwijl ik de winkel uitbaatte, trok André op zijn ronde.” De eerste klanten die André aandeed, waren de bakkers. Want zij hadden boter en melk nodig.In 1978 besloten André en Agnès om hun winkel te verhuizen even verderop in de Sint-Bernadettestraat. Opeens beschikten ze over een winkelruimte van maar liefst 120 m². Met in het aanbod voedingsproducten, zoals charcuterie, groenten en fruit, maar daarnaast ook kuisproducten. André heeft in zijn loopbaan ook veel melk geleverd aan heel wat scholen. André: “Niet aan de stadsschool in de Bernadettewijk, maar wel aan de katholieke school naast de kerk en daarnaast aan enkele andere scholen, waaronder Don Bosco Sint-Denijs-Westrem , Sint-Paulus in de Meersstraat en de vakschool Glorieux in Lourdes.” In ieder geval vormden de scholen belangrijke klanten. Samen met zijn vader, deed André iedere maandag en dinsdag, met 2 bestelwagens de scholen aan, buiten zijn gewone ronde.Terugblik op een lang en hard levenIn 2002, naar aanleiding van de 60ste verjaardag van André besloten André en Agnes dat om te genieten van een welverdiende rust. Vandaag hebben buurtwinkels het moeilijk om het hoofd boven water te houden. Zeker met de concurrentie van de vele supermarkten. Agnes: “Dat is pijnlijk om te zien. Vroeger was dat anders. We hebben hier even een Unic gehad, maar dat was het dan ook. Wij hadden ook geen personeel in dienst, we deden alles zelf, zodat het financieel haalbaar bleef. Maar een gemakkelijk leven was het niet.” André knikt bevestigend. “Ik schat dat ik alle dagen tot wel 10 ton tilde. Altijd maar heffen en sleuren. Na een tijd begint dat toch te wegen op een mens.” Wat hier de mooiste jaren waren in de Bernadettewijk? “De jaren ’50”, meent André. Agnes ziet het ruimer: “Toch ook de beginjaren van onze winkel, vond ik de moeite, hoor! In de jaren 1960 en ’70, toen onze kinderen nog klein waren. Iedereen speelde met iedereen en vooral buiten. De kinderen waren soms zo vuil van te spelen, dat je ze eerst moest ontdoen van het grootste vuil in een kuip,  voor je ze in bad kon steken.” Bij vele mensen was het alle dagen de zoete inval.”André: “Weet je: vroeger waren het hier allemaal meersen en weilanden. De helft van de bewoners van de Bernadetteblok kwam meehelpen op de boerderij, op het land, zeker in de oogstmaand, toen de aardappelen moesten worden binnengehaald. Al was het maar om een boterham te verdienen. Neen, het leven was toen niet simpel.”Portret: Bernadette Vandevelde

DE FAMILIE BERNADETTE: Walter Criel (°1944) en Gilbert Joris (°1944)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van de vrienden-voor-het-leven, Walter Criel en Gilbert Joris. Kameraden van het eerste uur zijn ze, Walter en Gilbert. Samen opgegroeid in de Bernadettewijk, van de bewaarklas tot het achtste studiejaar in dezelfde klas gezeten, samen op straat gespeeld in de blokken. Beiden hebben de wijk verlaten in 1967, toen ze trouwden. Met pretogen en af en toe een plaagstoot rakelen ze hun jeugdherinneringen op.Walter woonde in de voorstraat. Zijn grootvader woonde er al. Gilberts huis was in de blokken. Ze groeiden samen op in de sociale tuinwijk, in de jaren 1940-’50. Houten klompen, gaslantaarns en een ijzeren ligbadWalter en Gilbert gingen, soms op houten klompen, naar de gemengde stedelijke basisschool, in de tuinwijk, zoals de meesten van de Bernadettestraat. Met de kinderen van de katholieke school vochten én speelden ze.Walter: ”En als we een beetje stout waren, deed de leraar ons op onze knieën zitten in die klompen. Maar dat doet zeer!”De pleintjes in de blok vormden hun speelterrein. Vroeger waren die verhoogd. En op de witte winterdagen gingen ze sleeën in de dreef, maakten ze slierbanen met emmers water en hielden ze sneeuwballengevechten.Toen ze klein waren, werden de straten nog verlicht met gaslantaarns. ’s Morgens kwam er iemand om die aan te steken en ’s avonds iemand om ze te doven.Walter: ‘En toen er hier een houten kerkje was, passeerden hier nog lijkwagens met paard en kar. De mensen liepen daar dan achter, in een processie.’Het comfort in huis was beperkt. Gilbert moest zich wassen in een bassin. Walter had een bad staan in gietijzer. Ze moesten daarvoor water koken in een grote waskuip. In de basisschool konden ze op zaterdag een stortbad nemen, voor weinig geld, 5 frank of zo.Een voorstraat vol winkels en de frituur van Zotte LeineIn de blokken bevonden zich 3 kruideniers, in de voorplaats van een gewoon huis, zonder uitstalraam. ‘Spekkenwinkels’ noemen Walter en Gilbert die, want ze gingen er vaak om snoep.Vooraan in de blokken was er een fietsenmaker.In de voorstraat vond je modernere winkels, met een uitstalraam: kruidenier ‘Clemmeke’, een grote groentewinkel, drie beenhouwers, twee of drie bakkers, acht à negen cafés, een hoedenwinkel, een sigarenwinkel, een schoenwinkel, een meubelwinkel, een viswinkel, een kaaswinkel, een apotheek van Vooruit, een mercerie, een juwelier, een biercentrale. De grootvader van Walter was er coiffeur/ barbier.Er was een brood- en een melkronde, en een triporteur die rondreed met crème de glace. Dat was de tante van Gilbert.En dan was er nog de frituur van Zotte Leine, enkel herkenbaar door de stok met witte vlag. De bestellingen werden door het venster doorgegeven. Hechte gemeenschap, sappige bijnamenBernadette was als één grote familie. Er waren ook letterlijk veel familiebanden. Walters tantes bijvoorbeeld, woonden ook in de straat.Bij tijd en stond werd er gevochten tegen jongeren uit andere Gentse wijken. Gilbert: ‘Ze kwamen van de Muide. Dat was alle weken, wij naar daar en zij naar hier.’ Walter treedt bij: ‘In de jaren ‘60 had je de Bende van de Zwarte Kat, de bende van  Malem,...’. Gilberts ogen schitteren bij de herinnering. Bij een hechte gemeenschap horen bijnamen, zeker vroeger. Kon je zoal tegenkomen in Bernadette:·      Marcel De Leugenaar·      Zatte Petrus·      Bloashuufd, omdat hij een ronde kop had·      Zotte Leine (van Madeleine) ·      Roste Maria·      Onderbroek (van Hombrouckx ) ·      Lange Miel·      Dikke Miele·      Pennelekker, hij likte aan zijn pen en zijn tong werd er blauw van·      Willie Pannekoeke (houder van het wereldrecord pannenkoeken bakken)·      NapoleonNaar de Nova met een cinemabroek aanElk jaar, in september, was er een gebuurtefeest. Er stond een schietkraam, een molentje met auto’s, een rad, een klimpaal ingesmeerd met bruine zeep, een spel met mastellen aan een koordje. Daar kwam veel volk naartoe.In zaal Nova was een cinemazaal ondergebracht, die open was in het weekend. Walter en Gilbert gingen daar vaak naartoe, bijvoorbeeld naar Samson en Delilah, en naar westernfilms. Het kostte 5 frank. Walter: ‘Maar wij bleven zitten, hé. We bleven twee keer zitten voor die 5 frank.’Ze gingen er ook met hun lief. Walter: 'Jaja, in het donker zitten met onze ‘cinemabroek’ aan.'Ook schaduwzijdenEr zijn ook minder fraaie herinneringen. De armoede, die voor veel mensen bittere realiteit was. De kleine huizen voor vaak zeer kroostrijke gezinnen. Zatte Petrus die van zattigheid in de goot bleef slapen en andere dronkenmansverhalen. Gevechten ook.Maar dat ze een schone jeugd gehad hebben in de Bernadettewijk, daarover zijn Walter en Gilbert het ronduit eens.Portret: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Christiane Pycke (°1960)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Christiane Pycke.Sommige families hebben het hele bestaan van de Bernadettewijk meegemaakt. De kroostrijke familie Pycke is er een van. Christiane Pyckes grootvader woonde al aan de voorstraat, schuin tegenover de Nova, nog voor er sprake was van de sociale tuinwijk. En haar ouders behoorden tot de eerste generatie bewoners van de wijk. Een eeuw Bernadette, daar valt wel een en ander over te vertellen. Christiane Pycke, die hier in totaal 55 jaar lang woonde en een rol van betekenis speelde in het sociale leven, is dan ook een gekend figuur onder de Bernadettes. Haar eigen grootvader heeft Christiane nooit gekend. Hij overleed immers al in 1957, drie jaar voor haar geboorte. Zelf heeft Christiane haar hele leven in de Bernadettewijk gewoond. Christiane: “Toen mijn ouders trouwden, zijn ze naar het appartement op de hoek kunnen komen. Rond 1927 zijn ze verhuisd naar een kleine woning in de sociale tuinwijk. Mijn oudste broer is daar geboren in 1939, kort voor het uitbreken van de oorlog.”Maar daar bleef het niet bij. De Bernadettebodem bleek nogal vruchtbaar, want het ene kind volgde na het andere. Uiteindelijk zouden er 12 Pyckes het levenslicht zien, waarvan Christiane de jongste is. En dat allemaal in een klein huis in de tuinwijk. Christiane: “Maar er liepen hier nog wel echte Bernadettes rond. Hilda Vanneste bijvoorbeeld heeft ons allemaal gekend. Ook zij kwam uit een groot nest. Ik herinner me haar ma nog, die noemden we Zwarte Emma.” De liefde voor muziekEn toeval of niet, maar ook haar man leerde Christiane kennen in de sociale tuinwijk. “Nadat hij was opgegroeid in de Brugse Poort, kwam hij hier schuin tegenover onze deur wonen”, herinnert ze zich nog levendig. “Zijn grootmoeder Yvonne, woonde hier wel in het appartement. Haar dochter woonde in Antwerpen en kon in de haven groenten en fruit inkopen, dat Yvonne hier vervolgens het hele jaar door te koop aanbood.”Maar hoe leerde Christiane haar man dan precies kennen? “Wel, dat zat zo”, lacht Christiane. “Naast mijn ouders woonde een blinde man, die we ‘blinde Charel’ noemden. Charel was de man achter het muziekkorps van Bernadette, dat hij nota bene zelf had gesticht. Een van de trommelaars en tevens medestichter van het trommelkorps, was een jongeman die ik snel op het oog kreeg. En zo kwam van het een het ander. Het muziekkorps oefende in de school en mijn nichtjes sloten zich daar ook bij aan. Ik heb nog foto’s van toen ze hoofdmajorettes waren in de wijk. De kostuums werden hier allemaal zelf gemaakt.”Zelf hielden Christiane en haar man het bij een kleiner gezin, bestaande uit vier kinderen: twee jongens (Andy en Wesly) en twee meisjes (Wendy en Kelly).Bominslagen in de BernadetteDe Bernadettewijk bleef niet gespaard door het oorlogsgeweld. Zo herinneren oudere bewoners zich nog de bominslagen in de Lourdesstraat. Christiane: “Mijn ma vertelde ons hoe zij bij het bomalarm moesten vluchten. Hierachter, aan het talud van de spoorweg, is er een grote doorgang richting Lourdes. Daar konden ze zich verstoppen, want de schuilkelder was te ver weg. Ze liepen dus gewoon via de tuin de gracht in en zo richting doorgang.”Natuur en dieren in de wijkChristianes pa bezat een stuk land, ter hoogte van het schooltje. Hij hield er enkele schapen, en konijnen, wat voor de kinderen een gedroomde tuin was. Een geluk, want haar vader had niet graag dat zijn kinderen op straat speelden. Christiane: “Mijn pa was van het principe: ‘Je hebt een tuin, dus kweek daar je kinderen op’. Ik mocht niet spelen in de voorstraat, maar wel aan de achterkant van de tuinwijk, tot aan het talud van de spoorweg. Daar bevond zich veel zand. Als we de helling te hoog opliepen, gebeurde het wel eens dat de treinwachter achter ons aan zat en we snel naar huis vluchtten. Onderweg passeerden we dan wel eens Zwarte Emma. Zij had een nogal streng en stoer voorkomen.” Christianes vader had een duivenkot in de weide hierachter. Als kind hielpen zijn kinderen het kot op te kuisen. “Hij hield er ook schapen, die we als kind drinken kwamen geven”, vertelt Christiane. “Spijtig genoeg verdween er af en toe een schaap. Of het gebeurde dat we enkel de kop van het schaap aantroffen en het lijf verdwenen was.” Opmerkelijk detail: nu alle woningen tegen de vlakte zijn gegaan, is het enige dat nog recht staat, de gammele duiventil van de vader van Christiane. “We hebben ons pa graag gezien”, blikt Christiane weemoedig terug. “Hij is hier als volbloed Bernadette blijven wonen tot zijn 80ste. Daarna verbleef hij in een woonzorgcentrum tot zijn dood  op 91-jarige leeftijd. Krap wonen in een nest met 12 kinderenMet 12 kinderen was het als gezin uiteraard niet vanzelfsprekend om in een klein huis in de sociale tuinwijk te wonen. Christiane weet er van mee te spreken: “Gedurende een bepaalde periode woonden we er met zijn allen samen: 12 kinderen en onze ouders. En dat in een huis met maar 3 slaapkamers. Enkel het huis in de boog van de poort beschikte over 5 slaapkamers. Mijn oudste broer is gehuwd en toen was ik 4 jaar was.”Ten huize van de Pyckes werd werkelijk ieder hoekje van het huis ten volle benut. Christiane: “Vooraan was er een kleine voorplaats, afgescheiden door 2 deuren. Daar sliepen onze ouders. Boven, op de grootste kamer, sliepen de vier oudste kinderen die over de breedte van het grote bed werden gespreid. Hetzelfde principe werd toegepast op de kleinere kamers. Mijn moeder vroeg aan de schrijnwerker uit de voorstraat om stapelbedjes ineen te timmeren. Zo beschikten we in elke kamer over een stapelbed + een tweepersoonsbed. In mijn eigen gezin later heb ik mijn eigen kinderen altijd in de kamers boven laten slapen. Zo hoefde niemand nog op het gelijkvloers te slapen.” Christianes vader was er bij de uitvinding van de televisie snel bij. Als een van de eerste wijkbewoners schafte hij zich een eigen toestel aan. Het gezin van zijn broer die naast hem woonde, kwam dan geregeld programma’s kijken. Voor de kinderen was tv kijken er ’s avonds niet bij. Zeven uur gold als slaaptijd. Dat veranderde naarmate ze ouder werden. Christiane: “Omdat er te weinig plaats was in de zitkamer, schoven we een kussen onder de eettafel en keken dan mee, vanop het tapijt. De stoelen waren bedoeld voor de bezoekers.”De vader van Christiane werkte als enige kostwinner voor een gezin van 14. Haar moeder had haar handen vol met haar grote gezin en de zorg voor de dieren. Om alle mondjes te voeden, was iedere bijstand welkom. Christiane: “Twee van mijn zussen gingen meehelpen in het klooster bij de zusters en een broer kluste mee bij een plaatselijke boer, in ruil voor wat aardappelen en groenten.”Zelf werd Christiane opgevoed door haar oudere zussen. Die beschouwde ze als een tweede moeder. Achter het schotelhuis bevond zich een stal. Christiane: “Daar konden we ons wassen en maakte ons ma het eten klaar. Met zulk een groot gezin had zij altijd haar handen vol. Stilzitten zat er niet bij.” Het huis verwarmen gebeurde vroeger, ten huize de familie Pycke met een Leuvense stoof. Als kind nam Christiane al eens een warme baksteen, gewikkeld in een handdoek, mee naar bed om aan haar voeteinde te leggen. Toen Christiane op de wereld kwam, bouwde haar vader een veranda aan de woning. Die extra ruimte met veel licht bleek een schot in de roos, want sindsdien zou het gezin daar de meeste tijd doorbrengen. Christiane: “We aten altijd samen in de veranda, hoe krap ook. Voor iedere maaltijd dienden we wel de tafel te verlengen met twee bijzetstukken.”Terug van weggeweestTen huize de Pyckes werd gekozen voor het katholiek onderwijs. Christiane: “Mijn zussen en ik trokken naar de school naast de kerk, mijn broers naar de school van de Broeders van Liefde, naast de Nova. Pas later, toen wij zelf kinderen hadden, zijn de scholen stilaan gemengd geworden. Eenmaal 20 jaar oud, beslisten Christiane en haar man om de Bernadettewijk te verlaten. Christiane: “Zonder kinderen mocht je hier niet wonen. Dat was de reden waarom mijn man en ik destijds zijn verhuisd. Maar we hadden geluk, want door bemiddeling van enkele sleutelfiguren, kregen we hier een woning toegewezen. Voor ons een godsgeschenk, want hier waren we vertrouwd.” Tussen 1980 en 1987 woonde ze op meerdere adressen, eerst in de Scheepslosserstraat, daarna op Lourdes en vervolgens in de omgeving van het UZ. Haar kinderen werden allemaal elders geboren. In 1987, haar jongste dochter Kelly was toen amper 1 jaar oud, keerde het gezin terug naar de toen net gerenoveerde Bernadettewijk. Deze keer om er 35 jaar lang te blijven. Christiane: “De woningen waren helemaal opgeknapt en hadden er ineens een keuken bij. We waanden ons in een vakantiehuisje aan zee.” Enkele maanden later, toen ook het huis ernaast was vernieuwd, kreeg Christiane haar schoonzus als buurvrouw. De wijk voelde daardoor nog meer als familie aan.De terugkeer werd geen grote aanpassing, want Christiane kende de meeste bewoners nog goed. Overigens kwam ook haar pa, die in de wijk woonde, iedere dag langs om er zijn druppel te nuttigen. Solidariteit bleek in de Bernadettewijk geen loos begrip, verzekert Christiane ons. “Hier hielp iedereen elkaar waar nodig. Hoeveel werk ze met haar eigen gezin ook had, mijn ma stond ook haar buren bij wij waar nodig, al was het maar om kousen te stoppen.”Van de Pitbulls naar de SmileysChristiane Pycke heeft zich altijd sterk geëngageerd in de Bernadettewijk, vanaf 2011 voor de stedelijke buurtwerking Bernadette. Christiane: “Het buurtwerk werd hier opgestart onder impuls van Marleen De Mey en Johan Geldof. Onze bewonersgroep heette toen De Pitbuls. Ik heb daar een tijdje deel uitgemaakt van het bestuur. Maar ik kon me moeilijk vinden in die naam. Daarom hebben we naam begraven en gewijzigd in De Smiley’s. Naast ons jaarlijkse buurtfeest organiseerden we ook een nieuwjaarsreceptie en allerhande evenementen, onder meer met blitse Cadillacs en travestieten….. Alles was goed om de mensen naar buiten te krijgen.”Christianes inzet beperkte zich niet tot de buurtwerking. Christiane: “Ik denk dat wij alle gebuurtefeesten hebben meegemaakt. Toen mijn man en ik nog gewone vrienden waren, organiseerde ik met hem allerlei activiteiten in de nova-kring om de kas van het trommelkorps te spijzen. Want mijn man trok zich dat korps aan, dat was opgericht door blinde Charel. Zelf was ik maar zijdelings betrokken bij de fanfare. Ik sprong enkel in om de hoofd-majorette te vervangen bij afwezigheid”, lacht Christiane uitbundig.Alsof dat alles nog niet genoeg was, trok Christiane met ondersteuning van Ivago vaak mee om de wijk te helpen opkuisen. Christiane: “Vele oudere bewoners trokken mee naar de activiteiten van het buurtwerk. Ook Gusta, de zus van Hilda, die toen toch al in de 80 jaar was. Mijn man is er later ingestapt.”Bij dat sociale engagement speelde ook een andere figuur een cruciale rol, weet Christiane. “Samen met de sociaal bewogen pastoor Dries Morel, hebben we hier toch een en ander in beweging gezet. Het is mee dankzij hem dat de hele nova-site destijds werd vernieuwd.” Tijdens de grondige verbouwingen aan de voormalige, oude kerk, deed de nova dienst als noodkerk. Zelf was Christiane meer actief in het buurtwerk, maar ze verwijst naar verschillende Bernadettes die zich daar enorm hebben ingezet. Zoals de intussen bijna 90-jarige Marcel Goethals, nog zo’n geboren Bernadette. Hij hield jarenlang de bibliotheek open in de Nova. In de Nova-kring organiseerde Christiane activiteiten, zoals bloemschikken en knutselen. Christiane: “De mensen waren vragende partij voor een maandelijkse bijeenkomst, zodat de innige contacten niet verloren zouden gaan.” Het nieuws over de nakende sloop was al binnen gesijpeld. Maar helaas sloeg het noodlot voor Christiane tweemaal hard toe. Om te beginnen was er die lange corona-crisis, waardoor alles kwam stil te vallen. En als overmaat van ramp, overleed haar man in 2020, waardoor ze zelf buiten strijd viel. Christiane: “In die moeilijke periode werd ons lokaal engagement niet meteen overgenomen.” Niet veel later begon de afbraak van de eerste woningen. Zelf verhuisde Christiane intussen naar Oostakker.De margrieten van de BernadettewijkDe jaarlijkse zomerkermis in de Bernadettewijk ging altijd gepaard met een serieuze stoet, die heel wat volk naar buiten lokte. Christiane: “Dat was een waar volksfeest, met een editie van Spel zonder grenzen op de drie graspleintjes, een kaarsjesstoet en zoveel meer. Omdat het in die periode Gentse Floraliën was, werd het thema bloemen en droeg Charles Wyckaert ons op om ons te verkleden als margrieten. Mijn grootmoeder maakte die kostuums en Charles schoonmoeder de bloemen.VoetbalNaast de buurtwerking en de dekenij, was de Bernadettewijk ook op andere fronten actief. Zo was er de voetbalploeg Bernadette, een waar begrip in Gent. Christiane: “Gewezen deken, Charles Wyckaert was daar actief bij betrokken. De twee voetbalvelden hebben uiteindelijk plaats moeten maken voor de nieuwe woonwijk. Hoewel daar decennia geleden al sprake van was, is die er pas nu gekomen. Maar ook de Nova had een eigen voetbalploeg. Het clubhuis lag naast het Nova-centrum en de voetbalvelden er recht tegenover. Later verhuisde de club haar lokaal naar café ‘t Bierfonteintje. Die cafévoetbalploeg bestaat nog altijd, maar kreeg een andere naam en speelt tegenwoordig op het plein van Ganda Korfbalclub.”Handel en horecaVroeger telde de Bernadettewijk heel wat handels- en horecazaken, vooral aan de voorstraat. Christiane: “Hier vond je van alles: snoepwinkeltjes, beenhouwers, een melkboer, een krantenwinkel, een wasserette, meerdere cafés,… Van wat ik hoorde uit de tijd van mijn grootvader, moeten er in zijn tijd nog veel meer cafés zijn geweest, ook aan de andere kant van het oude kerkje. Reizen zat er bij ons niet in. We waren als kind al content dat we eens getrakteerd werden op een dagje zee, met een tussenstop in Sas van Gent. Want dan wisten we dat er een ijsje zou volgen. We waren met weinig content. Dat was zo in de hele Bernadettewijk. Bij mooi weer namen mensen gemakkelijk een tafel en wat stoelen en zetten ze zich buiten rond een kan koffie. Dat sociale heb ik van mijn ma meegekregen en ben ik blijven doen.”Tot slot willen we weten wat Bernadette voor haar persoonlijk heeft betekend. “Mijn hele leven ligt hier vervat in deze wijk”, besluit Christiane. “Hier heb ik alle belangrijke momenten uit mijn leven meegemaakt. Het doet me dus heel wat om dat alles achter te laten. Maar voor ieder afscheid geldt ook een nieuw begin.”  portret: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Roger Van de Sompel (°1945) en Jeanine Hoogstoel (°1949)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van het echtpaar Roger Van de Sompel en Jeanine Hoogstoel.Het is een grondig voorbereide Roger die ons, samen met zijn echtgenote Jeanine, te woord staat. Dat is hij zo gewoon, als gepassioneerd stamboomonderzoeker. Rasechte BernadettesRoger en Jeanine mag je gerust rasechte Bernadettes noemen. In totaal bracht Roger er al 51 jaar van zijn leven door, Jeanine 2 jaar langer. Maar hun familiewortels in de Bernadettebodem reiken nog dieper. In totaal woonden maar liefst 6 familieleden van Roger in deze wijk. Vroeger kende iedereen er iedereen; de Bernadettes vormden in zekere zin één grote familie.De plek in de wijk die voor het echtpaar het meeste betekenis heeft, is de Nova. 54 jaar geleden schonken ze er elkaar het ja-woord in wat toen nog een noodkerk was.Roger woonde niet permanent in de wijk, zo verduidelijkt hij. Roger: “Ik stam uit een nest van 12 kinderen en woonde hier mijn eerste 7 levensjaren bij mijn grootouders. Zij woonden hier schuin tegenover. Daarna vertrok ik voor 14 jaar naar Gentbrugge en erna naar de Goedlevenstraat in Oostakker-Lourdes. In 1978 keerde ik terug naar de Bernadettewijk.” Tot vandaag. Want ook Roger en Jeanine moeten hier binnenkort voor een laatste keer de deur achter zich dichttrekken.  Frieten in gazettenpapier en fietsen op een oude Solex Jeanine nestelde zich in de Bernadettewijk in 1955, toen ze 6 jaar oud was. Met haar ouders, broers en zussen woonde ze toen aan het pleintje. Ook Jeanines zus, Ginette, heeft nog in de wijk gewoond.“Als kind zie ik zo nog de gaslantaarns in de straat die werden aangestoken”, herinnert Roger zich. “Het kon binnen ook erg koud zijn, met dat enkel glas. Gelukkig hingen er aan de ramen blaffeturen die we ‘s avonds dicht konden trekken.”In de jaren ‘50 en ‘60 speelden kinderen doorgaans op straat. Er reden toen nog niet veel auto’s rond, al zeker niet in de Bernadettewijk. Roger: “Er waren altijd wel vrienden te vinden hier in de wijk. Mijn grootvader bakte soms frieten voor de hele bende, die hij dan opdiende in puntzakken, gedraaid uit gazettenpapier. Je moet je dat voorstellen: die hete frieten met die lijm en inkt. Dat kon toen allemaal. Geweldige tijden!”Ook Jeanine koestert mooie herinneringen aan haar jeugdjaren. “Als kind speelden we op het pleintje tot het ’s avonds donker werd. Leren fietsen deed ik op een Solex, waarvan mijn vader de motor had afgehaald. Die fiets moest ik dan delen met mijn broer en zus.”Kinderen konden in die tijd nog vrijuit op straat spelen, zonder te moeten letten op het verkeer. Jeanine: “Vroeger waren er in de wijk 3 speelpleintjes en zo goed als geen auto’s. Met al die kroostrijke gezinnen speelden de vele kinderen op straat, wat voor de nodige levendigheid zorgde. Maurice, een van de buurtbewoners, speelde accordeon, mensen zaten aan hun voordeur en kinderen dansten op straat. Televisie was er nog niet. Wij speelden vooral tikkertje, verstoppertje en staken al eens kattenkwaad uit. En met vliegenierspapier dat we hier in de winkeltjes konden kopen, maakten we vliegers. Aanschuiven aan Cinema NovaWat ook typisch was voor die tijd, waren de roepnamen die mensen toebedeeld kregen. Roger: “Ook hier had iedereen wel een bijnaam: Zo had je Door (een voerman die met zijn muildier door de gang stapte naar de koer) zijn vrouw, Mie den Triep, Mie de boerinne, Blinde Charel en natuurlijk Gazetje, omdat ze zo kon roddelen.” “Echt uitgaan deden we niet”, vertelt Jeanine. “Eens naar cinema Nova gaan was als jongere ons enige verzet. Ik herinner me vooral de film The Sound of Music. Die was enorm populair; mensen stonden hier in rijen aan te schuiven en dat 3 weken na elkaar. De Nova was een zaal met een beperkte capaciteit, maar wel met een balkon waar je ook kon plaatsnemen. Van de schoolbanken recht naar de fabriekRoger liep tot zijn 7 jaar school in de Bernadettewijk. “Dat was nog in houten barakken, waar nu die nieuwe appartementen staan”, herinnert hij zich nog goed. Daarna volgde het 1ste studiejaar in de nieuwe school. Die was nogal vooruitstrevend, want toen al gemengd.” Omdat Roger lang, wit krulhaar had, plaatsten ze hem bij de meisjes. Pas wanneer hij zijn krullen kort liet knippen, werd hij bij de jongens toegelaten.  Voor heel wat kinderen, zeker uit de kroostrijke gezinnen, was de schoolloopbaan eerder kort. Ook zo bij Roger: “Toen ik 14,5 jaar oud was, ben ik in de textielnijverheid gaan werken: onder andere bij Union Cotonnière Gantoise in de Zonder Naamstraat in Gentbrugge. Daarna volgde de spinnerij Union Cotonnière de Lescaut in de Kerkstraat en nachtarbeid in de spinnerij Texas Louisiana.” Eindigen deed Roger bij Fabelta in Zwijnaarde en de fabriek van asbestcement, John Mansfield, waar hij asbestplak aan beide longen opdeed. Trouwen in de NovaIn 1966 liepen Roger en Jeanine elkaar voor het eerst tegen het lijf. Amper 1 jaar later waren ze al getrouwd. Roger: “Ja, we waren vroeg volwassen. Om te trouwen had je in die tijd nog een akte van eerbied van doen, te verkrijgen bij de notaris. Vergeet niet dat Jeanine nog geen 18 jaar was en dus minderjarig. Ik was 22. We zijn getrouwd in de Nova, waar, naast een cinema ook een noodkerk in ondergebracht was. Die kerk zou ooit uit Frankrijk zijn overgebracht. Blinde Charel speelde er op het orgel. Wij waren een van de laatste koppels die daar zijn getrouwd. Vandaar dat die plek voor ons nog altijd zo belangrijk is. Cinema Nova was een katholieke instelling en dat merkte je duidelijk aan de programmatie van de films: nogal beschaafd van aard. Anderzijds was Dries Morel, een van de pastoors hier best wel een figuur. Een joviale mensen die open stond voor andere meningen, wat toch gewaardeerd werd door de mensen. Er is zelfs een pleintje en een fietspad naar hem genoemd.”Nog een jaar later, in 1968, werd hun eerste kind geboren, een dochter. Maar daar bleef het niet bij: het lange huwelijk van Roger en Jeanine bracht 3 kinderen, 6 kleinkinderen en 5 achterkleinkinderen op. Een eigen badkamer in huisHet heeft lang geduurd vooraleer de huizen in de Bernadettewijk een vorm van basiscomfort kregen. Daarvoor was het wachten op de grote renovatiebeurt, begin jaren ’80. Jeanine: “Toen Roger en ik in 1978 in dit huis arriveerden, bestond de kleine keuken uit een gootsteen, een ijskast, een gasvuur en een wasmachine. Er was amper bewegingsruimte. Het toilet en de kolenstal/bergplaats bevonden zich toen nog buiten. Roger heeft toen een oud kolenkot moeten slopen om meer plaats te krijgen. Pas in 1983 hadden wij voor het eerst in ons leven een badkamer in ons huis. Daarvoor hadden de mensen dat hier niet. Dat kan je je nu niet meer voorstellen, toch?” Uiteindelijk zullen Roger en Jeanine hier bijna 40 jaar gewoond hebben. Graag gewoond, want het huis vinden ze zeker ruim genoeg, met de 2 slaapkamers op de bovenverdieping.” Zowel alle huizen in de sociale tuinwijk kregen met die renovatiebeweging een stuk aanbouw, goed voor het installeren van een keuken, een eigen badkamer met toilet. Zowat overal verdwenen de vensterluiken (echte blaffeturen) en de voortuintjes, die zo kenmerkend waren voor de wijk. In vele gevallen werden daar de fietsen gestald. En ook het centrale grasplein moest eraan geloven en veranderde in een parking.  Cafés en buurtwinkels in de voorplaatsVoor de komst van de eerste supermarkten, kende de Bernadettewijk tal van kleine buurtwinkels. Roger: “Je had in de wijk zelf onder andere enkele snoepwinkeltjes (onder meer dat van Irma), een paar kruideniers (onder meer van Oscar Vermassen), een kolenmarchand. Alles werd georganiseerd in de voorplaats, vaak maar een voorschoot groot. Vergeet niet dat de mensen hier heel krap leefden. Mensen waren dat gewoon en klaagden daar niet over. Aan de voorstraat had je dan nog 3 slagers, 2 bakkers, een schoenwinkel, een tabakswinkel, een textielwinkel, een kapper, 2 apothekers en naast het Novacenter een winkel met huishoudgerief en kleine meubels.”Jeanine vult aan: “Daarnaast waren er natuurlijk de vaste brood- groenten- en melkrondes. Maurice, een bakker uit Lourdes, bakte overdag en kwam ’s avonds op ronde. Dat was eigenlijk ferm gemakkelijk. Eten aan huis geleverd.” Aan cafés was er in die jaren evenmin een gebrek, zo herinnert Roger zich nog levendig: “Vroeger waren er hier maar liefst 7 cafés, waaronder De Wachtzaal, Bierfonteintje (voorheen groetenwinkel), Zeveneken en natuurlijk de Nova! Daar kwam mijn grootvader graag over de vloer. Het was een man die altijd klompen droeg. Maar je trof vroeger wel meer cafés in de rijhuizen in de wijk, onder meer ‘Bij Mie de boerinne’, in nummer 466. Mijn grootouders kwamen daar graag Rodenbach drinken. De klutsen waren dan soms voor mij”, gniffelt Roger. Vandaag rest nog slechts één café in de wijk. Over dekenijkermissen, reuzenstoeten en catchwedstrijdenZoals in veel andere wijken, kende ook de Bernadettewijk een bruisend buurtleven met enkele typische verenigingen en organisaties. Zo werkte Roger jarenlang mee als vrijwilliger met de plaatselijke dekenij, maar maakte hij nooit deel uit van het bestuur. Roger: “Voor de dekenij hield ik in de jaren ’80 de inschrijvingen voor de rommelmarkten bij. Die vonden plaats op een plein hierachter, waar nu de nieuwe woningen staan en op het voetbalveld. En de mensen stonden ook met een stand aan hun huis. Dat was altijd een groot succes.” Ook Jeanine houdt warme herinneringen aan de jaarlijkse kermis van de dekenij. “Dat was echt plezierig”, vertelt ze. “Dat feest duurde maar liefst 14 dagen en bestond onder meer uit een verklede kinderstoet. Door de vele kroostrijke gezinnen, waren er vele kinderen die deelnamen. Wie het beste verkleed was, kon een prijs winnen. Zelf heb ik zo ooit een bon gewonnen voor een gratis kapbeurt bij de plaatselijke coiffeuse, goed voor mijn allereerste mise-en-plis.” De Bernadettewijk had haar eigen stoet met reuzenoptocht. Het depot van de reuzen bevond zich toen in het oud stationsgebouw van Oostakker. Roger: “Mijn twee neven, Guido en Florent Vandevelde, hebben daar zelfs nog als reus met meegelopen. Maar de kermis was meer dan dat. Zo herinnert Jeanine zich nog de kaarskesstoet, een twistwedstrijd, een catchwedstrijd,…De Nova Boys, de Nova Vrienden en F.C. NovaOok in en rond zaal Nova werd door de jaren heen van alles georganiseerd. Roger: “Daar werden geregeld mannen- en vrouwenavonden ingericht door de voetbalclub, met allerlei spelen. Iedereen werd dan verwacht in voetbaltenue. Zelf stond Roger in voor de inschrijvingen van de kaarsenbowling, een wedstrijd krulbowlen in openlucht, achter zaal Nova. Roger: “Deelnemers moesten dan proberen om zoveel mogelijk flessen met een kaars in, te raken. Zelfs Dries, de pastoor nam deel.” Roger nam als rasechte Bernadette wel vaker het voortouw in het verenigingsleven. Roger: “In de jaren ‘80/’90 was ik medestichter en laatste voorzitter van 2 plaatselijke cafévoetbalclubs: De Nova Boys en de Nova Vrienden. Dat was een succes. We hadden zelfs 6 spelers van White Star Sint-Amandsberg, wat toen toch een sterke ploeg was. In totaal telden we tijdens onze hoogdagen 105 spelers. We voetbalden overal in Gent de pannen van het dak en wonnen meerdere bekers. De ploegen telden ook lokaal talent, jongens van hier uit de wijk. Ons terrein bevond zich rechtover zaal Nova, waar nu de appartementen staan. Er kwamen daar ook andere ploegen spelen, waaronder F.C. Nova, van de katholieke zuil en de ploeg van Café Neptune hier in de wijk. Voetbal was een belangrijk gegeven in de wijk. Ik stond ook in voor de sponsoring van de 2 voetbalclubs. Zo schonk bakkerij Volkorenbrood ons brood dat we met gehakt klaarmaakten voor na de match.”Rode BernadettesDe Bernadettewijk heeft lange tijd een rood imago gedragen. Jeanine verklaart zich nader: “Vroeger kreeg je als socialist voorrang op een woning in de Bernadettewijk, wat niet zonder gevolg bleef. De wijk kleurde snel rood en dat werd soms overduidelijk. Op een bepaald moment trok hier 1 of 2x per jaar een bedevaart door de wijk, richting Lourdes, dat hier vlakbij is. Maar dat heeft niet zo lang geduurd, want bij die doortocht vatten alle socialisten uit de wijk post aan hun voordeur met een gebalde vuist in de lucht.”Roger: “De vorige pastoor was uitgesproken anti-socialist, maar pastoor Dries Morel pakte het slimmer aan door zich veel neutraler op te stellen. Zo wist hij toch nog mensen te winnen voor zijn kerk.”Roger: “Ik had nog een andere hobby: jarenlang heb ik krielen gekweekt, vooral Shabo’s. Soms zat ik hier met 50 exemplaren. Ik stichtte een vereniging, waarvan ik voorzitter was en nam deel aan allerlei wedstrijden. Tot tweemaal toe werd ik er zelfs kampioen mee. Hiervoor had ik een constructie gemaakt in mijn tuin met 4 compartimenten.”  In de wijk bleken ook meerdere duivenmelkers actief. De houten barak achteraan, op het domein van Ter Toren, is de grootste duiventil en was eigendom van de vader van Christiane Pycke. “Vroeger kweekten nogal wat bewoners in de wijk groenten in hun tuintje”, herinnert Roger zich. “Vooral veel aardappelen, tot het verbod werd ingevoerd, naar aanleiding van de plaag met de coloradokevers. Vele inwoners trokken ook naar de volkstuintjes Het Werk van de Akker, aan de Hogeweg.” Portret: Karen Simal

DE FAMILIE BERNADETTE: Hilda Van Neste (°1937)

David S.•3 jaar geleden In de reeks 'De Familie Bernadette' brengen we het verhaal van 100 jaar leven in de sociale tuinwijk Sint-Bernadette (1923-2023) aan de hand van getuigenissen van volbloed Bernadettes. Hierbij het verhaal van Hilda Van Neste.Met haar 6 kinderen, 15 kleinkinderen en 9 achterkleinkinderen heeft Hilda er een rijk gevuld leven opzitten. Noem haar gerust een volbloed Bernadette. Haar moeder woonde al in de wijk, zij zelf en tot het einde ook haar dochter Emilienne, van wie de kinderen hier ook woonden. Vier generaties op rij, dat kan tellen. Hilda zag in 1937 het levenslicht en groeide meteen op in de Bernadettewijk. Met uitzondering van een tussenstop van 10 jaar, bleef ze er haar leven lang plakken. In totaal woonde Hilda op drie verschillende adressen in de tuinwijk. Van 1937 tot 1958, van 1968 tot 1981 in nummer 214 en de laatste veertig jaar (1981-2021) in nummer 204. Met 10 kinderen in een piepklein huis zonder badkamerIn 1937 kwam de moeder van Hilda vanuit Sint-Amandsberg richting Lourdesstraat, wat vandaag de Sint-Bernadettestraat heet. Op zich geen noemenswaardig feit, zij het dat de Vanneste-nest in totaal 15 kinderen telde: zes jongens en negen meisjes. En dat in een rijhuisje uit de tuinwijk dat in die tijd nog een stuk krapper was dan op het einde. Hilda: “We beschikten over een schotelhuisje waar je slechts met één persoon tegelijk binnen kon en er was geen badkamer. Wassen gebeurde met een teil, boven in de slaapkamers. En voor het toilet moest je buiten zijn. Daar was een koer met drie stalletjes en een kolenkot. Tja, het leven was in die tijd wel harder.”Het huisje telde boven slechts twee slaapkamers: vooraan sliepen de jongens, achteraan de meisjes. Telkens met vier kinderen in één bed. Die werden dan in de breedte in het bed gelegd. “Zelf was ik het zevende kind in de rij”, vertelt Hilda. “Ooit hebben we hier met tien kinderen gewoond, in zo’n piepklein huisje. Niet te geloven, toch? Nu hebben de huisjes een badkamer, een toilet, een veranda, een keuken. Maar dat hadden wij allemaal niet.”De Van Nestes waren in die tijd lang niet het enige grote gezin in de tuinwijk. Hilda: “Je had bijvoorbeeld de Storms, de Cinitello’s, familie Cornette, de Grijps,… “We waren met 15 kinderen zeker geen uitzondering, maar kom, toch wel een echt grote kroost, dat wel”, lacht Hilda. “Wist je dat Miguel Wiels, de muzikant, hier ook vandaag komt? Zijn ouders kwamen ook uit een nest van wel twaalf kinderen.”Toch meent Hilda dat de mensen het in zeker opzicht vroeger beter hadden dan vandaag. “Ik heb het gevoel dat iedereen toen met minder content was. Neem nu met kleren. Vandaag doen mensen niets anders dan gaan shoppen, maar wij werden twee keer per jaar in het nieuw gestoken, met nieuwjaar en met Pasen. En iedereen vond dat maar normaal.”De familie BernadetteGrote gezinnen betekende onvermijdelijk ook vele taken en verantwoordelijkheden. In een sociale tuinwijk heerste een grote samenhang. Mensen waren veel meer aangewezen op de buitenruimte, doordat ze klein behuisd waren. Maar evengoed omdat er dagelijks boodschappen werden gedaan, waardoor je telkens dezelfde mensen tegenkwam. Hilda ziet daar wel een aantal voordelen in: “Dat maakte dat iedereen hier een handje hielp waar nodig. Mensen kwamen bij elkaar kuisen, bereidden samen het eten, deden boodschappen voor elkaar. Dat was nogal vanzelfsprekend. Men deed in die tijd ook de achterdeur niet op slot: buren kwamen gewoon binnen, dat was doodnormaal.”Zelf heeft Hilda zes kinderen, waarvan 5 van bij haar eerste man. Die zorgde niet goed voor haar, waardoor ze er als moeder vaak alleen voor stond. Hilda: “Ik heb zelf gewerkt tot het vierde kind er aan kwam. Daarna was het echt niet meer te combineren. Maar ik heb wel ook de drie kinderen van mijn tweede man opgevoed. Ik kan niet zeggen dat ik veel heb stil gezeten in mijn leven”, zucht Hilda. Intussen staat er 84 jaar op de teller en heeft Hilda naast haar tweede man ook al drie kinderen moeten laten gaan. Neen, ze is in het leven niet gespaard.De openbare onderstandHilda is een oorlogskind. Wanneer we die periode ter sprake brengen, gaat haar blik strak staan. “Ja, dat zijn toch jaren die je als mens nooit vergeet. Zeker omdat we nog maar een kind waren toen we het meemaakten. Ik hoor die sirenes nog loeien. Dat was het teken om zo snel mogelijk te vluchten naar de openbare onderstand. Zo werd de schuilkelder hier genoemd.” Hilda weet ons die nog precies aan te wijzen: onder het pleintje aan de school Het Tandwiel. “Ik weet nog goed dat we eerst zo rap mogelijk alle lichten moesten doven thuis. Zodat de vijand ons niet zou opmerken. Daar waren de ouders onverbiddelijk in. En daarna was het rennen geblazen. We zaten daar met vele bewoners van Bernadette bij elkaar, veilig onder de grond. Maar het gebeurde wel eens dat je te laat aankwam. In dat geval moesten we zo snel mogelijk de gracht in duiken en hopen dat het snel voorbij zou zijn.”Werken in de ‘grasfabriek’Kinderen kenden vroeger slechts een korte jeugd. Vanaf 14 jaar was de speeltijd voorbij. Dat was bij Hilda niet anders. “Op mijn veertiende werd ik naar ‘de grasfabriek’ gestuurd, een textielfabriek naast Vynckier. Omdat we zo vroeg moesten beginnen, trokken we er te voet naar toe.     Feesten en ontspannenMensen gingen eertijds veel minder op reis. En als dat al gebeurde, dan vaak in eigen land: een weekje Belgische kust of naar de Ardennen. Dat was in een sociale tuinwijk als Bernadette zeker niet anders. Vele bewoners hadden het niet zo breed en brachten de zomer gewoon thuis door. Dat maakte de gebuurtefeesten net zo belangrijk. “Vroeger had je in Gent heel wat gebuurtefeesten en wijkkermissen”, getuigt Hilda. Zo was er de reuzenstoet en de pyjamastoet voor kinderen, als afsluiter van de feesten. Daar werd echt naar uitgekeken. Mensen verkleedden zich vroeger ook gemakkelijker dan vandaag het geval. Buurtwinkels en broodrondesDe vele buurtwinkels die de voorstraat rijk was, heeft Hilda een voor een zien verdwijnen. “We hadden hier vroeger alles: een bakker, een melkboer die langs kwam, wel drie slagers, zes cafés en twee coiffeuses. Ik herinner me wel nog dat we als kind onze haren soms met bier wasten om er mooie papillotten en strikken in te maken.”“De bakker had zijn eigen broodronde, wat toch wel een gemak was”, herinnert Hilda zich. “Als hij hier voor de deur halt hield, riep mijn moeder: “Jantje, zeven grote broden, leg ze maar beneden aan de trap”. Dat soort vertrouwen was vanzelfsprekend toen.”Portret: Karen Simal

De zomer van de Neptune - Doris De Baets (°1965) en Thierry Semey (°1964)

David S.•5 jaar geleden Doris: “Doordat mijn ouders een bakkerij hadden, gingen we eigenlijk nooit op reis. De Neptune was mijn vakantie. Het was er altijd een heel sociaal gebeuren.” Thierry: “Een van de absolute hoogtepunten was het ‘Spel zonder grenzen’, in 1980. Dat werd echt een memorabele gebeurtenis.”Doris en Thierry mag je gerust beschouwen als een volbloed koppel uit Wondelgem. Beiden groeiden er op in wat toen nog een landelijk dorp was. Zij als het meisje van bakkerij De Baets, die intussen aan de 3de generatie op rij zit. Het begon in 1947 met grootvader Gustaaf De Baets, die in 1972 de fakkel doorgaf aan zoon Luc, de 15 jaar oudere broer van Doris. In 2000 nam Luc zijn zoon Jurgen de zaak over. Bakkerij De Baets was al die tijd een begrip in Wondelgem, zeker voor mensen die afzakten naar de Neptune, dat op wandelafstand ligt. Want van zwemmen krijgt een mens honger. Het toeval wil dat 1947 ook het startschot was voor de Neptune. Het verkavelde dorpDoris en Thierry leerden elkaar al op jonge leeftijd kennen. Het was de zogenaamde 13+-groep, een uitvloeisel van de plaatselijke catehesewerking, die de tieners bij elkaar bracht. Kort daarna volgden ook de scouts en het jeugdhuis. Het zou een samengaan worden dat tot vandaag standhoudt.Door de jaren heen zag het koppel hun habitat wel grondig veranderen. “Het Wondelgem van de jaren 70 is in niets te vergelijken met de huidige situatie”, getuigt Thierry. “In die jaren was het hier nog heel landelijk en dunbevolkt. Tussen Wondelgem en Mariakerke zag je alleen maar velden, boerderijen en enkele kastelen. De Lange Velden kon je toen nog letterlijk nemen en heel wat percelen waren nog onbebouwd. Vandaag is de grens van bebouwing overschreden. De verkavelingen volgden elkaar in snel tempo op: Parkstad I, II, III, Lange Velden, Silcose,… Dat maakt dat het landelijke karakter zo goed als verdwenen is.”Hangjongeren avant la lettreDoris en Thierry waren dus jeugdvrienden. “We hingen vaak rond aan de vijver van het dienstencentrum”, lacht Doris. “Toegegeven, we haalden er al eens kattenkwaad uit en lieten ons meermaals opmerken, met de nodige politiecontrole als gevolg. Vandaag zouden we als ‘hangjongeren’ weggezet worden.”Doris beleefde haar scoutsjaren tussen haar 12 en 16 jaar; Thierry begon er vroeger aan en bleef er tot zijn 17de. Toch was het vooral het jeugdhuis dat een blijvende stempel op beiden drukte, en ook omgekeerd. Thierry was er 15 jaar lang voorzitter en bleef er actief tot in 2006. Onder zijn toedoen veranderde de naam destijds van Surboum naar Tabula Rasa. “Omdat we veel aantrok voelden vanuit de stad, hebben we ons wat moeten herpositioneren”, licht hij toe. “Onze maandelijkse activiteiten bestonden vooral uit partijtjes tafeltennis, fietstochten, zoektochten, een estafettenamiddag, een quiz of een filmavond.” De werking van het jeugdhuis vergde heel wat tijd en energie van het koppel, maar het gaf hen ook veel terug, waaronder vrienden voor het leven. Die treffen ze sowieso ieder jaar, met de Drieskensfeesten. Want eenmaal Wondelgemnaar, altijd Wondelgemnaar.Een zomer lang Neptune en Spel zonder Grenzen als klap op de vuurpijl“De Neptune was mijn vakantie”, valt Doris met de deur in huis. “Doordat mijn ouders een bakkerij hadden, gingen we eigenlijk nooit op reis. En met een openluchtzwembad met ligweide om de hoek, lagen voor mij de zorgeloze zomers voor het grijpen. Naar de Neptune gaan was een sociaal gebeuren. Je trof er veel bekenden en het kon er op warme dagen erg druk zijn. Bij mooi weer spraken we met een grote groep vrienden af op de ligweide. Soms maakten we daar te veel kabaal, waardoor badmeester Antoine Oosterlinck ons meermaals op de vinger tikte, maar dat hoorde nu eenmaal bij het opgroeien. In ieder geval koester ik het meest de gemoedelijke sfeer die er heerste. Onvergetelijk!” Doris leerde als kind zwemmen in de Neptune, via de meisjesschool Mariavreugde. Tegenwoordig is het de Sportdienst van de Stad Gent die instaat voor zwemlessen, maar in die tijd was Wondelgem nog een autonome gemeente.  “Zoals bij het skiën, was toen ook al het après-zwemmen zeer aangenaam”, herinnert Doris zich nog goed. “Ik kreeg van thuis meestal enkele ‘oude’ Belgische franken mee om na de zwemles in het snoepkraam, een open venster dat uitgaf op het terras, een handvol muilentrekkers en poepkes te kopen of zo’n bevroren waterijsje in een te fel kleur. Voor het betreden van de kantine, moest je ‘droog’ en aangekleed zijn, dat waren de regels. Maar dat hadden we ervoor over, want daar stond de jukebox, waar we als kind gefascineerd door waren. Nog altijd kan ik bijna woordelijk Rocky, de smartlap van Don Mercedes uit de jaren zeventig, meezingen. Een hit waar wij steevast voor kozen, naast ‘Save all your kisses for me’, het winnend nummer van Brotherhood of Man, uit het Eurosongfestival 1976.”       “Wat ik wellicht nooit zal vergeten, is het Spel zonder Grenzen in de Neptune, dat in september 1980 georganiseerd werd door William Veireman”, vertelt Doris met een brede glimlach. “Dat was naar aanleiding van 10 jaar Surboum. Thierry knikt: “We namen er deel met een ploeg vol scouts. Het werd echt een memorabele gebeurtenis. Je moest er onder andere zo snel mogelijk een grote ton vullen met emmertjes water.” Doris: “Dat leidde tot ongeziene taferelen, zoals Jan De Raedt die er in het gewoel zijn zwembroek bij inschoot. Helaas is het bij 1 editie gebleven, maar wat mij betreft, mogen ze zo’n activiteit nog eens organiseren.”Vzw Hoeve LootensLokaal engagement loopt als een rode draad door het leven van Thierry. Na de stopzetting van de jeugdwerking Tabula Rasa werd het voor hem tijd voor iets nieuws. Dat vond hij in vzw Hoeve Lootens. Thierry: “Niet alleen ademt die hoeve Wondelgemse geschiedenis, er schuilt ook een sterke werking met een mooi maatschappelijk engagement. Zo wordt de hoeve gerestaureerd in samenwerking met vzw aPart, dat zich richt op kinderen, jongeren, jongvolwassenen en gezinnen in een kwetsbare positie. Daarnaast is er een educatief luik dat werkt rond landbouw en zijn er activiteiten voor studiebegeleiding en digitalisering.”Het mag duidelijk zijn: ook al is Wondelgem door de jaren heen grondig veranderd, voor Doris en Thierry blijft het hun vaste stek waarover ze nog lang niet uitverteld zijn. Foto: Patrick Henry

De zomer van de Neptune - Carine Vertriest (°1962)

David S.•5 jaar geleden “De opvoeringen van de Gentse Waternimfen bleven niet beperkt tot de Neptune of de Rooigem. We werden gevraagd tot in Nederland toe. En we kenden heel wat navolging: heel wat andere steden volgden ons voorbeeld.”Het kostte ons een grondige speurtocht vooraleer we een waternimf wisten op te vissen. In de 2de helft van de jaren 70 was er in de Neptune immers een damesgezelschap waterballet actief, genaamd: de Gentse Waternimfen. Carine Vertriest maakte als jong meisje deel uit van die markante groep. De sierlijkheid die ze daar aanleerde, heeft ze duidelijk goed bewaard. Intussen deelt ze gedurende bijna 50 jaar lief en leed met gewezen internationaal waterpolospeler en -scheidsrechter, Rik Ryckaert. Aan de Neptune bewaren beiden mooie herinneringen. In hun huis verwijzen vele decoraties naar strand en water. Dat kan geen toeval zijn.Het was begin jaren 70 dat Rik en Carine elkaar voor het eerst ontmoetten in de Gentse Zwemvereniging (GZV). Beiden deden aan competitiezwemmen. Ze hadden mekaar al snel op het oog en zijn elkaar sindsdien niet meer uit het oog verloren. De bijna dagelijkse trainingen maakten voor hen van het leven een waar feest. Tilly en RogerIn die tijd was het zo dat de heren die wat uitgezwommen raakten bij het competitiezwemmen, een uitweg vonden richting waterpolo. Voor de dames was er niet meteen een alternatief. Tot in 1976, toen Tilly Steelandt, in de schoot van de Gentse Zwemvereniging, De Gentse Waternimfen oprichtte: een damesgezelschap voor waterballet, ook wel ‘synchroon zwemmen’ genoemd. Hun 1ste optreden kwam er naar aanleiding van het clubkampioenschap in dat jaar. Carine: “Tilly was een bijzonder figuur. Zij was een pak ouder dan wij en had er 18 jaar eerder al een succesvolle carrière als waterballerina op zitten bij de Aquabells, later omgevormd tot de Gentse Waternimfen.” Na Elise Van den Bossche nam Tilly de dames op sleeptouw. Zij was de vrouw van internationaal waterpolospeler Roger De Wilde. Samen hebben ze lange tijd de cafetaria van de Neptune uitgebaat. Het koppel maakte een blijvende indruk op Carine: “De cafetaria draaide nogal in die jaren. Het was een heel sympathiek stel en Roger kende ook iedereen en zat altijd vol verhaal. Als hij begon te vertellen, hing je gewoon aan zijn lippen. In die tijd hielp ik als jong meisje mee in de cafetaria, terwijl Rik als garçon werkte op het terras. Dat viel dus reuze mee! Ik heb er ook nog het snoepwinkeltje open gehouden.” Ook de gemoedelijke sfeer in de Neptune blijft Carine bij. “Het was er altijd gezellig, dankzij het uitgestrekte terras, de zon, het water,… Je kon er met gemak een hele namiddag doorbrengen. Na een training van ons waterballet bleven we meestal nog wat keuvelen en iets drinken op het terras. Echt een ongelooflijke tijd.”Toeleven naar de show met gespannen zenuwenWaterballet is een discipline die de nodige concentratie en sierlijkheid vergt, zo blijkt. Carine: “Voor waterballet moet je verschillende zwemtechnieken beheersen, zoals schoolslag, crawl en rugslag. Wie wilde aansluiten bij het gezelschap, moest in een privézwembad in Antwerpen een speciaal brevet halen. Toch waren er ook verschillen met het gewone zwemmen. Zo moet je voor gewoon zwemmen de vingers tegen elkaar houden, om snelheid te halen, terwijl je ze voor waterballet net heel sierlijk moet houden.” Bij waterballet komt heel veel kijken, verzekert Carine. “We deden de meeste oefeningen eerst aan de kant, op tijd, want we moesten het stellen zonder de technische hulpmiddelen die er later bij kwamen, zoals onderwatermuziek en een telsysteem. Tijdens onze shows stond Tilly aan de kant om de nodige instructies te geven en de muziek te bedienen.” De show vormde het orgelpunt van een jaar intensief trainen. Daar werd stap voor stap naar toegeleefd. “Ieder jaar was er een galabal waar we erg naar uitkeken”, vertelt Carine. “Een naaister maakte dan voor ons allen een speciale uitrusting, met bijvoorbeeld zwempakjes, rokjes en sjaaltjes. En ja, dan kwamen nieuwsgierige waterpolospelers al eens in het geniep piepen. In 1976 hadden we een belangrijke verrassingsshow, voor het 50ste jaar voorzitterschap van Fernand Duchène, de toenmalige voorzitter van de Gentse Zwemvereniging. Als jonge meisjes zaten we met gespannen zenuwen, zeker toen we merkten dat de tribune van het zwembad afgeladen vol zat.”Neen, niet alles liep altijd vlekkeloos in die tijd, geeft Carine lachend toe. “Naar aanleiding van een feest in Wondelgem was aan de Gentse Waternimfen gevraagd om een optreden te komen verzorgen in de Neptune. Ik herinner me dat het die dag slecht weer was en dat in combinatie met het koude water. En net op het moment dat we in het bad kwamen voor de show, viel plots, onverwacht de muziek uit. Wij wisten niet wat de oorzaak was en moesten even later weer een voor een het water uit. Ik zie ons nog zo aan de kant van het zwembad staan bibberen van de kou...” Waterballet op verplaatsingDe opvoeringen van de Gentse Waternimfen bleven niet beperkt tot de Neptune of de Rooigem. Carine: ”Ons gezelschap werd geregeld gevraagd om de opening van nieuwe zwembaden op te luisteren met een balletshow, tot in Nederland toe. Of we hadden een opvoering aansluitend met een herenwedstrijd waterpolo. We gaven heel wat optredens: ieder jaar een 2-tal in het Rooigem-bad, ook in de Neptune en dan naar aanleiding van openingen van zwembaden in Gent en verre omstreken.” De Waternimfen zijn als eerste opnieuw gestart en dat kende wel veel navolging bij andere clubs. “Toen bij ons de leden een voor een afvielen, omdat ze een jaartje ouder werden en een gezin stichtten, startte Tilly een nieuwe club in Eeklo”, vertelt Carine. “Ook in andere steden, zoals in Brugge en Antwerpen waren er clubs in synchroon zwemmen.” Een band voor het levenDe Neptune heeft toch echt een band geschept tussen mensen, zo blijkt eens te meer. “Af en toe zie ik nog een vriendin van vroeger uit ons gezelschap en dan is er toch meteen die klik”, getuigt Carine. “Zelfs toen mijn dochtertje geboren werd, ging ik met haar nog vaak gaan zwemmen in de Neptune. Die mooie herinneringen blijven. De laatste jaren merkte ik wel veel veranderingen en striktere regels, voor de veiligheid en de hygiëne. Zo werd na de laatste renovatiewerken de drank niet langer in glazen ingeschonken en mochten de mensen ook niet meer aan het zwembad drinken of met een ijsje rondlopen. Geef mij maar die meer ongedwongen sfeer van vroeger.”Als ik er nu op terugblik, ben ik toch heel blij dat ik lid was van een sportvereniging, dat ik gezwommen heb en deel uitmaakte van De Gentse Waternimfen. Dat is toch iets dat ik koester en met mij meedraag. Sport beoefenen en deel uitmaken van een vereniging heeft zijn voordelen: je bent meer gewoon om met mensen om te gaan en het komt je verdraagzaamheid ten goede. Dat is de reden waarom onze dochter Steffi ook aan sport moest doen. Ik vind dat zo belangrijk. Intussen is zij ook al 33 jaar en speelt ze bij de Belgische damesploeg waterpolo en bij de Gentse zwemvereniging, waar ze al meermaals landskampioen werd. Zo zie je maar hoe de zwem- en waterpolomicrobe vlotjes doorgegeven wordt aan de volgende generatie.” Foto: Patrick Henry

De zomer van de Neptune - Hugo (°1937) en Mieke (°1968) Suys

David S.•5 jaar geleden Hugo Suys: “Heel dikwijls ging ik met mijn 5 kinderen zwemmen in de Neptune, zelfs als het water maar 12 graden warm was. Op zulke dagen hadden we het zwembad voor ons alleen, zalig was dat.” Mieke Suys: “De afstanden bij die doortochten varieerden van 500 meter tot enkele kilometers. Het water was ook daar erg koud. Omdat wetsuits in die tijd nog niet bestonden, smeerden we ons lichaam in met een dikke laag uiervet. Maar die koude heeft ons ook gesterkt. In die zin vormde de Neptune voor ons het gedroomde oefenterrein vlakbij huis.” Je hebt zo van die gezinnen die een gedeelde passie in het genetisch materiaal dragen. Laat sport die passie zijn van de familie Suys uit Wondelgem. Met vader Hugo Suys als koploper-coach, moeder Monique als toegewijde supporter voor het leven en een vurige, 5-koppige ploeg van kinderen in de aanloop. Met recht en rede ooit uitgeroepen tot sportiefste gezin van Wondelgem. Met de Neptune op loopafstand hadden de Suyskes het gedroomde decor om kampioenen te kweken. Met de nodige volharding en wilskracht lieten ze dat ook niet na. Toen Hugo Suys, die aan de Ganzendries opgroeide, de jonge Noord-Franse Monique Steppé ontmoette, werden ze een stel. Ze trokken in 1963 naar het landelijke Wondelgem, in wat toen nog de Kerkstraat heette (nu: Sint-Markoenstraat). Na 7 jaar (1970) kozen ze voor een vaste woonst in de Egelstraat, waar ze vandaag, 51 jaar later, nog altijd wonen. De vele ingekaderde foto’s aan de muur, etaleren een rijk gevulde familiegeschiedenis.Hugo: “Ik heb dit huis hier in de Egelstraat (vroeger Gellinck de Wallestraat) grotendeels zelf gebouwd, vooral na mijn werkuren en tijdens de weekends. Een voor die tijd toch vooruitstrevende woning, want stevig geïsoleerd en met elektrisch aangestuurde vloerverwarming. Als bouwkundig ingenieur/landmeter had ik wel de nodige technische inzichten. Oudere bewoners spreken mij hier nog wel eens aan als Menier de landmeter.”Het tuinpad van mijn vader“In de jaren 60 bestond Wondelgem enkel uit de kerk en de Kerkdries met de onmiddellijke omgeving”, beschrijft Hugo. “De rest bestond uit landbouwgrond en boerderijen, waarvan er vandaag nog maar een paar overblijven. Wondelgem had een meer dorps karakter en telde maar enkele duizenden inwoners. Vandaag is dat een veelvoud geworden. Parkstad I, de verkaveling waar wij in wonen, werd de eerste van een lange reeks.”Mieke: “Als kind hadden we hier achter ons huis een weide met koeien en paarden van boer De Weerdt, die tot aan ons tuinhek kwamen. Daar gingen we alle dagen spelen met kinderen uit de buurt. Soms lieten we stiekem de koeien los lopen en gingen we dat melden bij de boer, die ons daarvoor bedankte en trakteerde met snoep. De grote boerenkar hiernaast was het speelobject van de buurt. Het was hier altijd de zoete inval, alle kinderen kwamen vlot over de vloer bij de Suyskes.” Eigenlijk zat bij Mieke lopen er al van kindsbeen af in. Ze liep achter de eenden en de ganzen en later ook achter de jongens aan.Met de fiets naar de Neptune voor de modeshowsVandaag worden kinderen overspoeld door een vloedgolf van vrijetijdsaanbod, maar dat was in de naoorlogse periode in Gent wel anders, weet Hugo. “Als kind hadden wij enkel de sport om ons te ontspannen. Vanuit de stationsbuurt ging ik met mijn vrienden tot 3 keer per week trainen bij atletiekclub Ajax aan het Van Beverenplein. We verplaatsten ons als tieners hiervoor met een eigenhandig geassembleerde fiets.” Ook de recent geopende Netpune in het verre Wondelgem was voor de jongens geen brug te ver. Hugo: “Een openluchtzwembad trok ons, tieners, sterk aan. Ik herinner mij vaag dat daar modeshows werden gehouden, en dat we vooral erg nieuwsgierig waren naar wat er zoal onder die kleren van de modellen te ontdekken viel.”Een leven in het teken van lopen en zwemmenHugo was van kindsbeen af van het sportieve type. Oud-burgemeester Lauwers van Wondelgem was ooit trainer van atletiekclub Ajax aan het Van Beverenplein. Hij richtte ieder jaar in zijn gemeente een veldloop in. Het maakte dat Hugo gaandeweg meer en meer gebeten werd door de loopmicrobe. “Ik liep vooral de 800 meter, de 3.000 meter en de veldloop”, licht Hugo toe.Met de komst van de eigen kinderen kwam ook het zwemmen in het leven van Hugo. Mieke en haar broers en zussen leerden zwemmen in de Rooigem en vanaf de leeftijd van 7 à 8 jaar startten ze er alle 5 met competitiezwemmen. “Zwemmen was ons leven”, geeft Mieke vol overgave mee. “Als lid van de zwemclub VZG gingen wij toch 3 à 4 maal per week trainen in de Rooigem”. Op een bepaald moment werd Hugo trainer, terwijl zijn vrouw Monique zich over de kleuters in het kleine bad ontfermde.En zo kwam van het een het ander. Voorzitter De Muynck van de zwemclub vroeg Hugo op zeker moment om toe te treden tot het bestuur, wat hij ook deed. Hij zou er een vaste waarde worden.Later stapten Mieke haar zus Veerle en vader over naar S.O.S., de nationale zwembond, waar Michel Louwagie, ooit Belgisch kampioen rugzwemmen, de nationale hoofdtrainer was. Gaandeweg kwam de lat steeds hoger te liggen.De Suyskesdagen in de NeptuneHugo: “Heel dikwijls ging ik met mijn 5 kinderen zwemmen in de Neptune, zelfs als het water maar 12 graden warm was. Op zulke dagen hadden we het zwembad voor ons alleen, zalig was dat.Ik zwom toen mijn gebruikelijke 1.000 meter en kwam er altijd als 1ste uit. Tot op een zekere dag ik met alle kinderen samen het bad in dook en ik een voor een door hen werd ingehaald. Dat heeft mij toen toch wel doen opkijken. Toen we klaar waren met zwemmen, liepen we met zijn allen gewoon nog nat naar huis, ikzelf meestal met een kind op de schouder. De dikke badjas en de warme chocomelk deden ons dan veel deugd.Ook Mieke kan zich de koude nog levendig voor de geest halen. “Het koude badwater in de Neptune was te wijten aan de continue toestroom van sterk stromend vers water dat door een dikke buis rechtstreeks in het bad werd aangevoerd”, licht ze toe. “Na een renovatiebeurt hebben ze dat nog proberen te verhelpen door een stelsel van zonverwarmde waterbuizen op de kleedhokjes te plaatsen, wat toch maar een minimaal verschil maakte.” Wat er ook van zij, tegen die koude was Mieke wel bestand. “We speelden altijd buiten, ook tijdens de winter. En het hele jaar door jogde ik mee met mijn pa, waardoor ik wel een en ander gewoon was.Wat Mieke ook nooit zal vergeten en wat ze een zeer jammere zaak vond, is het feit dat het zwembad enkele millimeters tekort kwam om in aanmerking te komen voor officiële competitiewedstrijden.Redders in lichte roes“De sfeer in de Neptune was altijd erg plezant”, herinnert Mieke zich. “Als kind hebben we daar veel gespeeld. Ik zie nog zo de cafetaria met het terras en het snoepkraam voor mij. Ook de ligweide was altijd de moeite en een ontmoetingsplaats voor vrienden en buren. Veel mensen uit onze straat trokken te voet mee richting Neptune.Ook de redders bepaalden mee die sfeer. Hugo: “Onder de redders werd er in die jaren duchtig een aperitief genuttigd. Soms verkeerden ze in een lichte roes tijdens het toezicht, wat in die jaren nog door de beugel kon.”Van de Neptune naar de doortochten in open waterLater, toen de Suyskes het baantjestrekken wat beu geraakten, schakelden ze over naar de discipline van het openwaterzwemmen en namen ze tijdens de zomermaanden deel aan de zogenaamde ‘doortochten’. “Mooie tijden”, klinkt het bijna in koor. “Dan namen we onze tentjes mee waarin we ons konden omkleden”, vertelt Mieke. “Die wedstrijden, zowel in schoolslag als in crawl, vonden zowat overal in het land plaats. Gezellige uitstappen voor het gezin waren dat. Iedereen bracht zijn picknick mee en we speelden samen met de kinderen van andere deelnemers van onze club. Gedurende de hele zomerperiode troffen we mekaar ieder weekend. Daar zijn vriendschappen uit voortgekomen die vele jaren hebben standgehouden, ook met leden van andere clubs.”De afstanden bij die doortochten varieerden van 500 meter tot enkele kilometers. “Het water was ook daar erg koud”, lacht Mieke. “En omdat wetsuits in die tijd nog niet bestonden, smeerden we ons lichaam in met een dikke laag uiervet. Maar die koude heeft ons ook gesterkt. In die zin vormde de Neptune voor ons het gedroomde oefenterrein vlakbij huis.”Tweemaal Olympische Spelen triatlonIntussen werd de sportlat ten huize Suys almaar hoger gelegd. Na het competitiezwemmen indoor en de doortochten in open water kruiste een nieuwe uitdaging hun pad, die van de kwart triatlon. “De dag na een doortocht in open water heeft Mieke zich laten overhalen om deel te nemen aan zo’n wedstrijd”, licht Hugo toe. “Omdat ze toen nog geen eigen koersfiets had, heeft ze er snel een geleend die haar min of meer paste.” Mieke: “Ik ben er meteen geëindigd als 1ste junior en als 3de dame. Zo ben ik snel beland in de triatlonvereniging van Politie Gent. Onder impuls van figuren als Chris De Graeve, Robert Accoe en Marc De Buck ben ik met hen beginnen mee te trainen.” Voor haar looptraining was Mieke verbonden aan Standaard Ajax Gent. Het fietsen werd een nieuwe discipline waar ze zich op moest toeleggen. Mieke: “Met mijn spaarcenten kocht ik mijn 1ste koersfiets, een witte Peugeot, bij Lampaert in de Bevrijdingslaan. Ik zal dat nooit vergeten.”De discipline van de triatlons bleek een schot in de roos. “Eigenlijk ben ik er nooit mee opgehouden”, getuigt Mieke. “Uiteindelijk ben ik 15 jaar topsporter geweest onder BLOSO (nu: Sport Vlaanderen). Ik draaide mee met de top op landelijk, Europees en internationaal niveau. Dat combineerde ik met mijn studies kinesitherapie en podologie. In totaal heb ik zelfs 2 keer deelgenomen aan de Olympische Spelen: in 2000 in Sidney en in 2004 in Athene.” Hugo trok zelf ook mee op trainingsstages met Mieke, onder andere naar Zuid-Afrika, Lanzarote, … Hugo: “Dat waren tot 5 trainingen per dag, te beginnen om 6 uur ’s ochtends met een loop van 10 km. Lange tijd deed ik dit alles zelf nog mee, tot Mieke te goed werd. Tegen dan was ik toch 60 jaar. Mijn laatste marathon heb ik zelf gelopen op mijn 75ste.”Voor Mieke duurde de deelname aan wedstrijden tot 2007. Zelfs de geboorte van haar 2 zonen betekende maar een korte onderbreking. En alsof dat alles nog niet volstond, speelde ze ook nog eens 10 jaar basketbal in derde nationale …De familie Suys: een uitzwermend rasMaar hoe is het de andere leden van de familie Suys vergaan op sportief vlak, wil ik graag weten. Hugo wrijft zich even over het hoofd, want ook dat is een verhaal met veel zijtakken. “Onze dochter Veerle liep aanvankelijk een gelijkaardig parcours als zus Mieke, tot en met het Europees Kampioenschap triatlon voor de junioren. Zij schakelde over naar het reddend zwemmen, een in die tijd zo goed als onbekende discipline in ons land. Uiteindelijk heeft ze het geschopt tot Belgisch kampioene en is ze beginnen deel te nemen aan internationale wedstrijden. Dat alles bracht haar uiteindelijk meermaals naar Australië, waar het reddend zwemmen als sport te vergelijken is met voetbal bij ons. In die discipline maakte ze internationaal haar weg met deelname aan de wereldkampioenschappen in Nieuw Zeeland en de Wereldspelen in Finland. Telkens behaalde ze er een medaille. In Australië werd ze de 1ste vrouwelijke redster ooit die voor 6 maanden aan de slag kon aan de bekende Gold Coast. Dat bleef ze veel jaren na elkaar doen. De reddingsoperaties verlopen er met behulp van helikopters en reddingsboten. Het zwemmen heeft ze intussen achter zich gelaten en vandaag woont ze in de omgeving van Nice. Daar leerde ze iemand kennen tijdens een wedstrijd wildwatervaren (rafting) waarin ze zich aan het bekwamen was. Daarna is ze nog in de skiwereld beland en gaf ze in het winterseizoen skitrainingen.Kathleen, de andere dochter, vond haar weg binnen de atletiek, in de discipline van de 400 meter, waarin ze ooit Belgisch kampioen werd, onder trainerschap van Wouter Rogge.Johan heeft nog gezwommen en ooit aan een triatlon deelgenomen met Mieke. Geert ten slotte, de oudste van de 5, beperkte zich tot het zwemmen en woont sinds 2004 in Canada, tegen Montreal. Maar ook de toekomst van deze sportieve familie lijkt verzekerd. Het DNA van de kinderen van Mieke vertoont een gelijkaardig patroon. “Dat klopt”, knikt Mieke. “Ook mijn 2 zonen zijn erg sportief. Ze lopen, zwemmen en mountainbiken.” Vooral bij de jongste, Mauro (pas 10 jaar), lijkt er geen rem te zitten op zijn drang naar sport. Intussen loopt hij er zijn moeder in snelheid af en ook het zwemmen lukt al aardig. De oudste Rico bekwaamt zich intussen als wielerpistier.Geen gezin zonder moekeEn hoe indrukwekkend al deze sportcarrières ook zijn geweest, de rol van ‘moeke’ Monique kan hier amper overschat worden. Niet alleen was ze moeder van 6 kinderen (een eerste overleed kort na de geboorte) en onthaalmoeder van 4 andere kinderen. Daarnaast gaf ze watergewenning aan kleuters en was ze de vaste chauffeur van dienst, ook voor de internationale wedstrijden (Berlijn, Moissac,…). Monique: “Ja, zo maakte ik dat sportieve gezinsleven zelf ook een stuk mee. In combinatie met de zorg voor ons uitgebreide nest, had ik beide handen meer dan vol. Een rijk gevuld leven, waar ik graag op terugblik.” De sloop van de Neptune liet de familie Suys uiteraard niet onbetuigd. Mieke: “Jammer dat het openluchtbad niet gedeeltelijk overdekt is gemaakt. Daar was ooit sprake van. Het zou die sportsite helemaal af maken. Moeke Monique haalt een andere recente sloop aan, die van de voormalige parochiale kring. “Dat gebouw bood onderdak aan de Gezinsbond, de KAV en nog tal van andere lokale verenigingen. Ik zat vroeger in veel van die besturen. Met het gebouw zie ik ook dat stuk van mijn eigen levensverhaal mee onder de sloophamer verdwijnen. Ja, het doet me toch wat.” Hugo kan daar beter mee om. “Het is mooi geweest en die herinneringen koesteren we als gezin voor eeuwig en altijd.”Foto: Patrick Henry

De zomer van de Neptune - Rick Ryckaert (°1960)

David S.•5 jaar geleden “In de zomer trainden de waterpolospelers vaak in de Neptune. Dat was voor ons altijd een verademing, met het goede weer en de vele meisjes rond het zwembad. De sfeer was er zalig en het contact met de redders hartelijk.”Rik Ryckaert heeft een opvallend zachte stem voor een gewezen internationale scheidsrechter in waterpolo. Met zijn interesse in historisch erfgoed houdt hij zijn fototoestel altijd binnen handbereik. Vooral oud beeldmateriaal van Gentse zwembaden en de Watersportbaan beroeren hem. Of hoe het Gentse zwemwater door zijn aderen stroomt. Rik groeide op in de Fluweelstraat in de Brugse Poort. Al snel kreeg hij vaste voet in het nabijgelegen zwembad Rooigem, waar zijn vader badmeester was. De jonge Rik bracht hem er ‘s middags  geregeld zijn boterhammen. Uiteindelijk schopte Rik het zelf tot gewaardeerd internationaal waterpolospeler, trainer en scheidsrechter. In die hoedanigheid voelt ook de Neptune voor Rik aan als vertrouwd terrein. Meer nog: Rik werkte er ooit in de cafetaria bij het bekende koppel Roger De Wilde en Tilly Steelandt, samen met de Gentse waternimf Carine Vertriest. Intussen delen ze een halve eeuw lief en leed.Van wedstrijdzwemmen naar waterpoloAls kind was Rik dus al snel vertrouwd met het zwemwater. “Toen ik een jaar of 11 was, vroeg trainer Polfliet van de Koninklijke Gentse Zwemvereniging (GZV) mij eens te demonstreren wat ik al kon”, steekt Rik van wal. “Ik zwom wat over en weer en dat moet toch zijn aangeslagen, want meteen daarna werd ik opgenomen in het wedstrijdzwemmen. Een paar jaar later kwam na de zwemtraining al eens een bal in het water en zo maakte ik kennis met waterpolo. Ik had meteen de smaak te pakken.”Daarna volgden voor Rik de jeugdwedstrijden waterpolo. “Mijn trainers toen waren de legendarische Olympische spelers, Roger De Wilde, Frank D’Oosterlinck en Herman Verbauwen. Roger was een correcte man en wist als geen ander wat er omging in het hoofd van een zwemmer. Een imposant figuur, een kleerkast van een man en een levensgenieter pur sang.” Trainen in de Neptune“De trainingen waren zwaar”, verzekert Rik ons. “Zeker zodra je meespeelde op het hoogste, nationale niveau. We trainden tot 5 keer per week. Waterpolo was in die jaren een erg populaire sport; de wedstrijden stonden altijd garant voor overvolle tribunes.” In de zomer trainden de waterpolospelers vaak in de Neptune. “Dat was altijd een verademing, met het goede weer en de vele meisjes rond het zwembad”, lacht Rik. “De sfeer was er ook zo zalig en het contact met de redders hartelijk. Na onze wedstrijd plaatsten we de doelen in het gras, zodat de kinderen ze konden gebruiken voor hun voetbalwedstrijdjes.” Het waterpolo bleek voor Rik een liefde van lange duur. Zelf draaide hij maar liefst 15 seizoenen mee in de 1ste ploeg van de Gentse Zwemvereniging en speelde hij tussen 1978 en 1986 op internationaal niveau. Maar ook daarna bleek de vlam nog niet uit. Rik: “Op mijn 39ste ben ik scheidsrechter geworden en ik ben dat tot mijn 55ste gebleven, de absolute leeftijdsgrens. Als referee floot ik wedstrijden in het kader van de Europese en wereldkampioenschappen. Het Gentse stadsbestuur heeft mij daarin altijd gesteund en gewaardeerd. In 2001 vertaalde zich dat in de titel van Gents Sportambassadeur. Een van de absolute hoogdagen voor mij persoonlijk was het bezoek van Boris Margareta, dé topscheidsrechter uit Slovenië.”   Het geheim van de kelder van de NeptuneAan het einde van ons gesprek zie ik Rik nog wat glimlachen. Er zitten duidelijk nog enkele anekdotes klaar. Rik: “Wel, als kind beleefde ik eens een spannend moment in de Neptune. De zoon van Roger De Wilde was een vriend van mij. Op een winterse woensdagnamiddag had hij me uitgedaagd om naar de Neptune te komen. Het water in het bad was naar een laag niveau gebracht, waardoor we via de trapjes het zwembad konden afdalen en zo glijden op het ijs. Na een tijdje toonde hij me de sleutels van de cafetaria en nodigde mij uit in de kelder. Daar zagen we naast de frisdranken en chocomelk ook de biervoorraad staan. Goed, wij waren nog erg jong, maar nu, welja …”Ook de vader van Rik, de redder van de Rooigem, bleek niet om een stunt meer of minder verlegen. Rik: “Mijn pa ging geregeld met nietsvermoedende bezoekers de weddenschap aan dat hij, in ruil voor vier pinten, de hele breedte van het zwembad onder water kon overzwemmen met een brandende sigaret in de mond. Natuurlijk geloofde niemand dat, maar keer op keer lukte het hem wonderwel en haalde hij zijn buit binnen. Wat bleek? Zijn truc bestond erin om het brandende stompje, net voor hij het water indook, met zijn lippen naar binnen te duwen, snel over te zwemmen en de sigaret aan de overkant snel weer tevoorschijn te toveren, zodra hij boven water kwam.” Foto: Patrick Henry

De zomer van de Neptune - Frank D'Oosterlinck (°1942)

David S.•5 jaar geleden “Velen onder ons waren clubzwemmers of waterpolospelers, we hielden van het water. Dat moest ook, want in de Neptune klopten we dagen van 10 uren, onafgebroken van 15 mei tot 15 september. Met 3 redders. Maar dat ging: we waren jong hè!”Buiten is het amper 3 °C, en toch verschijnt Frank D’Oosterlinck in bloot bovenlijf aan de voordeur wanneer we enkele van zijn oude Neptunus-foto’s komen ophalen. Voor de gewezen waterpolokampioen, oud-redder in het gros van de Gentse zwembaden en waterrat tout court, is de kou geen vijand, maar een vriend. Na decennia van meer tijd in het chloor te hebben doorgebracht dan erbuiten, voelt die blote bast nog steeds aan als een vertrouwd uniform.  Het maakt ons meteen benieuwd hoe iemand het zwembad als vaste biotoop kiest. “Dat komt door mijn vader, die ook als waterpolospeler actief was”, steekt Frank van wal. “Al op jonge leeftijd troonde hij me mee naar badhuis Van Eyck waar ik heb leren zwemmen. Als 11-jarige kwam ik via de Gentse Zwemvereniging bij het waterpolo terecht.” Niets deed vermoeden dat Frank zou uitgroeien tot een van de langst spelende waterpolo-spelers ooit, want pas in 2010 – na 55 jaar (!) – hing hij zijn zwembroek aan de haak. Frank: “Ik bewaar de mooiste herinneringen aan die tijd … Verschillende keren heb ik deelgenomen aan het Belgisch en Europees Kampioenschap, met als klap op de vuurpijl de Olympische Spelen in Rome in 1960 en in Tokio in 1964. De sfeer in Tokio was ongelooflijk: de allerbeste atleten ter wereld kwamen er samen, ik heb me daar geweldig aan opgetrokken.”   Topscoorder tijdens Olympische Spelen in TokioFrank werd op verschillende tornooien gelauwerd als topscoorder, zelfs tijdens de Olympische Spelen in Tokio. “Dat komt, denk ik, omdat ik altijd een allround speler ben geweest”, verklaart Frank. “Bij de nationale ploeg bewaakte ik niet alleen het doel, maar was ik evengoed verdediger, spelverdeler, spits. Voor mij deed dat er niet zoveel toe: de passie voor waterpolo was zodanig groot, die sport vormde zo’n essentieel deel van mijn bestaan dat ik op elke plaats het beste van mezelf gaf. Dat ik over een uitstekende techniek beschikte, heeft beslist ook geholpen.” Daarbij bleek Frank een echt trainingsbeest, wellicht de reden waarom hij zolang tot op hoog niveau wist mee te draaien. “Dat klopt”, lacht Frank. “ ’s Ochtends baantjes gaan trekken voor ik naar mijn werk vertrok? Geen probleem. Nooit eigenlijk.”   Van professioneel waterpolospeler tot redder in de Neptune Zwemmen is zijn lang leven, het lag voor de hand dat Frank ook na zijn carrière als topsporter nog verder wou gaan in die richting. Al moet gezegd dat goed kunnen zwemmen zeker niet volstond. Frank: “Om redder te worden, moest je wel degelijk een examen afleggen: een schriftelijke toets, aangevuld met een bekwaamheidsproef, waarbij je onder meer iemand uit het sop moest halen, een pot boven water moest zien te houden, enz. Eenmaal geslaagd, werd je benoemd tot voltijds redder.”In die functie ging Frank ook in de Neptune een tijdlang aan de slag. “In 1970 werd het zwembad nog privé uitgebaat”, schetst Frank. “Ik deed er het seizoen uit en toen de gemeente Wondelgem het in 1971 overnam, heb ik er nog 3 à 4 zomers gewerkt. De Neptune was in die periode een 50 meterbad, dat gefilterd werd met klaar water. Het had een ligweide om u tegen te zeggen en een cafetaria met groot terras. In die tijd zagen we ook veel van het uitgangsvolk van aan de Zuid en de Kuiperskaai richting de Neptune trekken. Het zwembad was ook op zondag open, wat massaal veel volk lokte. De cafetaria organiseerde ‘s avonds geregeld een bal populaire, met verlichte fonteinen die meedansten op het ritme van de muziek! Op sommige dagen kregen we wel 4.000 tot 5.000 man over de vloer. En ik moet zeggen: hoe meer volk, hoe minder zorgen. Alsof er meer sociale controle was: mensen kwamen in gezelschap en droegen zorg voor elkaar.”   Kleine interventiesTijdens zijn werk kreeg Frank gelukkig nooit echt te maken met dramatische situaties: “Ik heb nooit iemand van de verdrinkingsdood moeten redden. Meestal ging het om zwemmers die zich eens hadden verslikt of die in het diepere gedeelte in paniek waren geraakt. En iemand die panikeert, laat zich maar al te graag helpen. Er waren ook nooit toestanden zoals je die nu soms ziet, met politietussenkomsten en zo. De mensen gedroegen zich in die jaren. Er was meer discipline; ruzie of vechtpartijen kwamen niet vaak voor. Ook werden de meisjes niet lastiggevallen. Soms moest je iemand terechtwijzen, maar dat werd aanvaard.” De meest dringende interventies situeerden zich, verrassend genoeg, op de ligweide, waar iedereen op blote voeten rond liep. “Daar was het vooral een kwestie van erop toe te zien dat er geen glazen sneuvelden”, lacht Frank.    Uit liefde voor het water“De sfeer tussen de redders onderling viel al bij al goed mee”, herinnert Frank zich. “Er hing wel eens spanning in de lucht, maar doorgaans kwamen we echt goed overeen. Je mag niet vergeten dat je afhankelijk bent van elkaar. Bij een incident moet je blindelings op elkaar kunnen vertrouwen, net als bij de politie of bij de brandweer. De meesten deden hun job met veel inzet en discipline. Wie redder wil worden louter voor de job of het geld, die redt het niet. Velen onder ons waren trouwens clubzwemmers of waterpolospelers, we hielden van het water. Dat moest ook, want in de Neptune klopten we dagen van 10 uren, onafgebroken van 15 mei tot 15 september. Met 3 redders. Elke dag opnieuw beschikbaar. Maar dat ging: we waren jong hè!”, lacht Frank.  Exit openluchtbadenDe Neptune was het laatste openluchtbad in Gent dat de deuren sloot en tegen de vlakte ging. Dat betreurt Frank wel. “Het is vooral jammer dat er nu in onze stad geen enkel openluchtzwembad meer te vinden is. Vroeger waren er verschillende, maar in de loop der jaren geraakten ze allemaal overdekt. De waterpolotrainingen vonden vroeger altijd in openlucht plaats, weer of geen weer. En dat alles zonder wetsuit, hè, enkel met een zwembroek aan. Had het water maar een temperatuur van 14 °C, tant pis … Het koudste water waarin ik nog gespeeld heb was amper 11 °C ‘warm’. Wij waren echte ijsberen, jong! Maar dat is voorgoed verleden tijd …”  Foto: Patrick HenryTekst: Katrien Bonne

Yvette Geiregat van 'in 't Lindeken'

David S.•3 jaar geleden Wie de Turkse bakker op de hoek van de Sint-Salvatorstraat en de Doornzelestraat passeert, heeft het opschrift op de zijgevel misschien al eens opgemerkt: een oude lichtreclame met de naam ‘Evada’. Dat bord heeft niets te maken met de bakkerij, maar alles met ondergoed. Hu? Hoe zit dat? Wel, vroeger bood dit pand onderdak aan de winkel In ’t Lindeken. De inmiddels 91-jarige Yvette Geiregat baatte tussen 1975 en 1992 de winkel uit en hielp destijds nog mee de lichtreclame ophangen. Zolang blijft het een mooi knipoog naar dat stuk textielverleden van de wijk. Yvette werd geboren op 3 januari 1932 in Hansbeke en bleef er tot haar twaalfde wonen. Nadien volgden jaren van internaat. Later zocht Yvette werk in Gent en leerde ze Eugene Claeys kennen met wie ze in 1954 trouwde. Eugene werkte in de textielsector. Het koppel vestigde zich aan de Jozef Plateaustraat, op wandelafstand van de faculteit Geologie van de Universiteit Gent, waar Yvette een job vond. Dat duurde tot er kinderen kwamen en Yvette besloot om thuis te blijven voor het huishouden en de opvoeding van de drie kinderen. Terug aan het werkTegen de tijd dat de kinderen al ouder en zelfstandiger waren geworden, had Eugene, die veel contacten met de UCO had, opgevangen dat er een textielwinkel over te nemen was in de Sint-Salvatorstraat. Toen hij dat vertelde aan Yvette, moest zij er niet al te lang over nadenken. Zo belandde de ondernemende Yvette op 43-jarige leeftijd, voor lange tijd in een centraal gelegen handelspand in de wijk Sluizeken-Tolhuis-Ham. Yvette: “Het eerste wat ik deed na de overname, was  de hele zaak volledig leeg maken om  vervolgens opnieuw in te richten. De winkelruimte van zo’n 110m² bevond zich in een trapgevelpand, dat toch wel enkele ernstige gebreken vertoonde.” Maar dat kon Yvette niet weerhouden om er een winkel met naam en faam uit te bouwen. Yvette: “In de winkel stonden allemaal ijzeren wanden met schabben, waarop waren als ondergoed waren geschikt. In het midden stonden een rij tafels mooi tentoongesteld met daaronder de voorraadbakken. Verder hadden we in het midden van de winkel enkele pashokjes met gordijn en een grote spiegel erin.Bonneterie-lingerieOp oude foto’s van ‘In ’t Lindeken’ kan je in de vitro’s van de winkel nog de begrippen ‘bonneterie’ en ‘lingerie’ ontwaren. Die staan voor kwaliteitsvolle textielwaren, zoals wollen kousen en sokken, mutsen, dassen, handschoenen en dus ook ondergoed. De winkel droeg vroeger al de naam In ’t Lindeken.  Maar het is niet altijd een textielwinkel geweest, weet Yvette: “Vroeger moet dit pand nog dienst hebben gedaan als kleine zuivelwinkel. Het valt haast niet te geloven, maar mij hebben ze nog verteld dat er zelfs enkele koeien, geiten en paarden en pluimvee hebben rondgelopen op een aanpalend stuk grond.” In ’t Lindeken richtte zich tot dames, heren, kinderen en zelfs baby’s. “Ondergoed was onze specialiteit, maar ik verkocht zoveel meer”, verzekert Yvette ons. “Denk maar aan zaken als handdoeken, badlakens, beddengoed, pyjama’s, jeansbroeken, joggingbroeken, hemden, bloezen, truien, handschoenen, mutsen,… Veel textiel kwam vooral binnen via de UCO of via het buitenland.”De centrale ligging van de winkel in de wijk bleek al die tijd een groot voordeel. Niet alleen was er de tramhalte, waardoor de etalage in het oog viel, maar ook de directe nabijheid van de school, de kerk, de frituur, enkele cafés, meerdere bankfilialen en de schippersbeurs in café De Toren vormden een ware troef. Yvette besteedde daarom ook altijd veel zorg aan haar etalage. “Die zette ik altijd, samen met Eugène, mooi wanneer de winkel gesloten was. En om de vijf jaar namen we de winkel grondig onder handen en vervingen we het behang om de zaak modern te houden. We hadden meerdere piekperiodes in het jaar. Ieder begin van een nieuw seizoen was het doordraaien geblazen. Dan moesten we alle kleren wisselen, want de klant is telkens op zoek naar iets nieuws.”De gouden jarenIn de jaren zeventig en tachtig bruiste de wijk nog volop. De Sint-Salvatorstraat was in die jaren nog een echte winkelstraat, als verlengstuk van de Sleepstraat. Yvette weet nog heel wat handelszaken op te sommen: een grote draperiewinkel, een geschenkenhuis, de UNIC, de grote elektrowinkel De Mulder, een zaak voor schooltoebehoren, de quincaillerie Decoene-Simons, meerdere bankfilialen, bakkers en slagers. Yvette: “En natuurlijk ook heel wat textielhuizen, zoals de jeugdwinkel Modegril, Eleganta (een textielwinkel met vooral bovenkledij), de schoenwinkel van Rudy, Couture Anny met haar bloezen, kleedjes en bruidskledij, enzovoort.”De vele handelszaken kenden vroeger een nauwe samenhang. Dat vertaalde zich in een actieve dekenij, die onder meer een jaarlijkse braderij en een kermis inrichtte. “Dat was werkelijk met alles er op en er aan”, verzekert Yvette ons. “Een kermiskoers, een mobiele frituur, een boksring, een fanfare met majorettes en optredens in een grote tent op het plein van Seleskest, met namen als An Christy en Joe Harris. Op een bepaald moment zijn ze ook met een stoet gestart. De schippers liepen toen mee met een grote houten boot.” Voor een handelszaak als In ‘t Lindeken, vormde die wijkkermis toch wel een van de hoogtepunten van het jaar. Ja, ook wij werkten daar aan mee. Zelf heb ik ooit met mijn textiel de reus van Seleskest aangekleed voor de jaarlijkse optocht.”  De schippers van de wijkDe schippers bleken trouwe klanten van ‘t Lindeken. Terwijl veel van de schipperskinderen op internaat verbleven en school liepen in de Sint-Salvatorstraat, kwamen de ouders om de 3 à 4 weken aan wal om er hun boodschappen te doen en hun voorraad in te slaan. Op die momenten wisten ze hun weg vlot te vinden naar de winkelas: Voormuide - Sint-Salvatorstraat - Sleepstraat.Het wegtrekken van de schippers, vertaalde zich ook voor In ’t Lindeken in een terugval van het aantal klanten, maar gelukkig bleef er veel passage ronde de winkel. Yvette: “Onze ligging bleef gelukkig in ons voordeel spelen.”De sluitingIn 1992 besloot Yvette, op 60 jarige leeftijd, haar winkel voorgoed te sluiten. “Acht jaar eerder had de dekenij het voor bekeken gehouden. De zaken begonnen toen al minder goed te lopen. Onze winkel was bovendien toe aan een grondige renovatie en die investering wilde ik niet meer opbrengen. Hier en daar kwam een plafondtegel los, die dan naar beneden viel en waardoor de stroomkabels bloot kwamen te liggen. Echt veilig was het niet meer. Maar ik houd me vast aan het warme afscheid dat i k kreeg van mijn trouwste klanten. Dat heeft me deugd gedaan.” Als we Yvette tot slot vragen wie in al die jaren haar meest opmerkelijke klant is geweest, antwoordt ze op fluistertoon: “Hebt gij nooit van Madame Martine gehoord?” Blijkt dat deze dame, die uit Wallonië of Frankrijk afkomstig was, om de hoek in de Doornzelestraat een bescheiden bordeeltje uitbaatte. En ja, ook zo’n zaak had nu en dan nieuwe lakens en badjassen van doen...Foto: Steve Van Opstal
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Cookiebeleid
  • Toegankelijkheidsverklaring
  • Sitemap
Mogelijk gemaakt doorGo Vocal voorheen CitizenLab